Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poort was het ook ledig en stil, de bewoners van de kleine huizen zaten nog niet voor de deur, want het was nog te vroeg in den av ond; een paar kleine jongens alleen waren bezig met een papieren scheepje te laten varen in de smalle geul, die midden door de straat liep „Die hebben het goed 1" dacht de kleine en liep over een smal brugje de naaste straat in: vandaar kwam men bij een opening in den stadsmuur, die vlak tegenover een voetpad door

k K. j aangebracht- vvelk voetpad naar den weg naar Dambach leidde. Dat voetpad maakte wel is waar een scherpe bocht en was zeer eenzaam, maar zij wist er den weg en ging er dus ook langs — de groote weg was bovendien zoo vol stof, dat elk oogenblik in dichte wolken opwoei en dat haar van midda^ al genoeg gehinderd had.

O ja, van middag — toen was alles nog goed! Ze had wel willen schreeuwen van pret, toen zij met de bokken uit Dambach w as gereden; grootpapa had staan schateren, een „hoerah !" had hij haar achterna gezonden, de kinderen uit het dorp, zij kende al de jongens en meisjes, hadden een eind meegeloopen en de jongens hadden elkander toegeroepen: „sakkerloot, die kan het, hoor. Ln nu keerde zij terug om een schuilplaats te zoeken bii grootpapa. Och, als zij maar altijd bij hem mocht blijven. Graat' was zij naar de dorpsschool gegaan... Grootmama kwam nooit buiten, zij kon, zei ze, het leven en het rumoer in de fabriek niet verdragen, hn als zij dat zei, antwoordde grootpapa, dat hij buiten bleet, omdat het geknjsch van den papegaai hem doof zou maken.

Al die dingen dwaalden en dwarrelden door het hoofd van de kleine Grete, terwijl zij zoo snel mogelijk den eenzamen weg vervolgde. Ken lang eind weegs liep midden door een korenveld ST c f haar wel een beetje bang om het hart. Sinds

zij met tante Sofie den laatsten keer dezen weg bewandelde, waren de toen nog groene en korte korenhalmen geel en ontzettend lang geworden, altijd had zij maar een kort stukje van het pad voor zich, en het was of zij in dat korenveld geheel ingesloten zat; de kapel, die met de schoone vleugels over het koren heenvloog, de wind, die spelend de koppen van het koren liet buigen, ja. die hadden geen nood... En boven haar hoofd ruischte het, of een zijden gewaad langzaam over den grond sleepte — zij zay onwillekeurig naar boven, ze werd bang. Maar tante Sofie zei immers akijd; „bang maken geldt niet, in de wereld gaat alles

tÜ,e ,S kun er ook niemand boven over de halmen andeJen de wind was het, niets als de wind, die zijn dartel spel dreef met het wiegelend graan.

Sluiten