Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk was dat pad afgewandeld, de weg liep nu tusschen aardappelakkers en koolvelden door, dan langs een groenland den heuvel op, waar een klein bosch groeide, het Dambacher bosch genoemd, en daar achter lag het dorp.

Het was licht genoeg, de kleine zag de struiken wel langs den weg met de witte bloesems en de donkerroode vruchten, maar zij had nu geen tijd, ook geen lust, om er van te snoepen. In haar ademloos snellen loop was zij de hoogte opgegaan — het jeugdige hart klopte, hamerde in haar binnenste, het hoofdje bonsde en gloeide, en het was daarbij zoo zwaar, of er lood in zat... Nu, in de kamer van grootpapa was het koel; daar stond midden tegen den muur de groote canapé met het zachte kussen, waar hij zijn middagslaapje op hield; als zij moe geloopen te Dambach kwam had zij daar altijd een poosje op gerust. Nog maar een klein eindje achter het dorp om — en zij was er.

Het groote plein voor de fabriek was ledig en stil, het dagwerkvan de arbeiders was lang gedaan; in den fraai aangelegden tuin met den mooien vijver, waar het paviljoen zich zoo helder in afspiegelen kon, was ook geen leven als dat van den avondwind, die door de toppen der boomen speelde. Het was al bijna donker onder die boomen. Zelfs Fidel, grootpapa's gezellige hond, blafte niet. en sprong haar niet te gemoet — de drempel, waar hij altijd op lag, was ook al leeg, de deur was dicht en het bleek, dat die op slot was... hoe de kleine ook klopte en belde en riep, er kwam geen antwoord van binnen

Toen stond zij daar in radeloozen angst voor die gesloten deur — grootpapa was er niet en aan de mogelijkheid daarvan had zij in de verste verte niet gedacht — het sprak immers van zelf dat hij altijd t'huis was als iij kwam... Zij liep aan alle kanten langs het huis, was er maar een van de ramen in het benedenhuis open geweest, zij was er wel door geklommen, dat had zij wel meer bij de hand gehad, om zoo heel onverwacht voor grootpapa te staan; maar — alles was dicht.

Zij voelde, dat zij tranen in de oogen kreeg, maar met alle kracht drong zij die weer terug. Grootpapa was zeker naar den boekhouder gegaan en die woonde vlak over de fabriek; maar onderweg daar naar toe zeide haar een boerenmeisje, dat de boekhouder met het rijtuig van mijnheer dat naar de stad moest meê was gereden en dat mijnheer de landraad al vroeg in den middag was vertrokken naar den kegelkrans bij den opperambtman te Hermsleben — en dat was ver, heel ver weg!

Och hemel, wat moest nu het arme, weggeloopen kind Heginnen !

Sluiten