Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

takken en struiken heen naar de opene ruimte. Wat was dat een treurige, armzalige gestalte, die wankelend en waggelend naar het paviljoen terugkeerde. Grete had den hoed al dadelijk in het bosch verloren, hij was aan de takken blijven hangen, nu hij kon daar blijven! Ook de scheuren in het lichte jurkje konden haar weinig schelen, maar die slijkerige voeten, die overal vuile sporen achterlieten, waren verschrikkelijk om te zien.

De eene ster na de andere verscheen aan den helderen hemel, de kleine meid, die het moede hoofdje weer tegen den post van de deur had geleund, zag er niets van. Als zij even de zware oogleden opsloeg merkte zij niets anders, als dat het om den vijver hoe langer hoe donkerder werd — het gras onder de boomen was zwart, pikzwart, allerlei nachtdieren begonnen hun gewone leven, uilen krasten in de boomen en vleermuizen kwamen onder de goten weg van het huis en zweefden akelig geruischloos door de lucht, soms vlak langs haar heen. Als in een droom hoorde zij in de verte de honden in het dorp en de klok vertelde, dat er een half uur was omgegaan. Wat moesten er nog vele halve uren voorbijgaan, eer het twee uren sloeg, — o, het was veel ontzettender, dan zij ooit had kunnen denken! — De vochtigheid aan de kleine voeten joeg haar een kille huivering door de leden en het kleine hoofdje, aan zoo harde ligging niet gewoon, gloeide van de pijn.... Och, als zij maar eens een oogenblik dat hoofd op het zachte kussen had kunnen nedervlijen, als zij eene enkele slok water had kunnen krijgen uit de lekkere bron bij het pakhuis, wat zou dat haar goed hebben gedaan! Tante Sofie deed zoo dikwijls frambozensap er bij, als zij maar even over hoofdpijn klaagde, tegen die leelijke muggenbeten, die zij overal had, had tante een verzachtende zalf — o, wat was het goed bij tante Sofie! Een onweerstaanbaar verlangen naar de goede tante rees plotseling in haar op.

Weer sloot zij de oogen en droomde, dat zij in haar eigen slaapkamertje was. De ramen zagen uit op de plaats en het klateren van de bron klonk zoo eentonig, zoo gezellig — altijd had dat water het wiegelied gezongen voor de kinderen. Zij lag op het heldere, zachte bed en tante Sofie verkoelde haar de gloeiende wangen en wreef langs de gezwollen armen, net zoo lang tot zij sliep... Ja, slapen, terugkeeren, slapen — dat was het! Dat was het, wat haar op eens deed opspringen en haar de poort uit, den weg over, de landen weer opdreef. Zij hoorde niet meer dat de klok sloeg, toen zij de poort weer uitging, het angstige gejaagde tellen was voorbij, zij dacht ook niet over den langen

Sluiten