Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bron drong weer tot hare ooren door en maakte, dat zij niet. geheel en al haar bewustheid verloor. Nu kwam er iemand de straat langs, forsche schreden naderden het pakhuis en een oogenblik later stond er een man bij de poort. In de duisternis slaagde zij er toch in dien man te herkennen, het was mijnheer Lenz, die in het pakhuis woonde en van wien zij veel hield. Dikwijls als zij op de plaats speelde riep hij haar een vriendelijk woordje toe en als zij hem in het voorbijgaan groette streek hij haar zacht met de

hand over het blonde haar.

„Laat mij ook binnengaan!" fluisterde zij nauwelijks hoorbaar, toen hij den sleutel in het slot gestoken had.

Hij sprong verschrikt achteruit: „wie is daar?" riep hij.

„Grete!" .

„Wat — de kleine hier uit huis? kind, hoe komt gij hier!

Zij antwoordde niets, maar greep naar zijn hand, opdat hij haar op zou helpen; maar dat ging niet, zij kon niet meer staan en hij nam haar op in zijne armen en droeg haar de poort door.

HOOFDSTUK VI.

Onder de poort was het pikdonker. Heel voorzichtig ging mijnheer Lenz met het kind in de armen voort en deed na eenig tasten, een deur open aan de linkerzij. Aanstonds zag men een lichtstraal, die van boven de smalle trap verlichtte.

„Ernst!" riep een angstvol vragende vrouwenstem.

„Ja, ik ben het in levenden lijve, frisch en gezond, Hansje!

Goeden avond".

„Nu Goddank, dat ge thuis zijt! Maar beste, lieve man, waar

zijt ge toch zoolang geweest?"

„Ik was verdwaald," antwoordde hij, terwijl hij langzaam naar boven klom. „Dat prachtige mooie Thüringerwoud lokt iemand aan als een dwaallicht — altijd schijnt een volgend punt weer mooier dan het vorige, en zoo loopt men al verder en verder op en denkt niet om het naar huis gaan. Ik ben verschrikkelijk moe, dat kan ik u zeggen, maar, moedertje, het schetsboek is ook heelemaal vol".

Zoo kwam hij eindelijk boven aan de trap en zijn vrouw.

Sluiten