Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in orde was. Mijnheer Lamprecht was op een heel ongewoner» tijd uitgereden en ook weer teruggekeerd, en overal waren zij aan het zoeken; maar wij hielden ons trouw aan wat ons eens is gezegd, dat wij ons volstrekt niet hebben in te laten met dat wat er voorvalt op de plaats of in het huis van den patroon. Sinds echter de koetsier hier is geweest, zit Blanka in de donkere gang en wil niet hier komen — dat lieve kleine ding is haar oogappel, al heeft zij het nog nooit anders dan in de verte gezien — maar, kindlief, wat scheelt er in 's hemelsnaam aan die voetjes?" Zoo viel zij zich zelf in de rede, terwijl het licht van de lamp op de natte en vuile laarsjes viel, en tegelijk voelde zij dat de zoom van het jurkje ook door en door vochtig was.

„Het kind heeft in het water gelegen", zei ze fluisterend, maar tegelijk vol ontsteltenis aan haar man, „Het moet dadelijk andere kleeren aan hebben. Och toe, roep gauw Blanka!"

Hij deed een deur open aan de overzijde van de kamer. De ruimte daar achter, waar de keuken was, was donker, maar door een vensterdeur, die naar de gang leidde, zag men een paar lichten in het voorhuis.

Op het geroep van den vader klonken duidelijk haastige voetstappen door de duisternis en kwam de schoone Blanka naderbij. Zij had een ruimen, witten kapmantel om, een bleek gezicht en bloote, slap neerhangende armen, terwijl het rijke, juist losgemaakte haar weelderig langs hals en schouders viel.

„Komt gij eindelijk t'huis, vader?" vroeg zij zacht en bleef met schuwe houding en neergeslagen blik op den drempel staan. Het was, of zij het heldere schijnsel van de lamp niet kon verdragen en maar niets liever deed, dan weer terug te gaan naar de donkere gang.

„Wat, is dat de welkomstgroet van mijn kleine meid ?" vroeg hij half knorrig. „Geen hand en geen kus ? En toch heb ik nog wel een verloren schaap meegebracht. Ziet ge dan niets? Wie zit daar op moeders schoot ?"

Met een kreet van verrassing stoof het meisje op en vloog op Greta toe.

„Kijk, kijk!" zei juffrouw Lenz, wel lachende maar toch een beetje boos. „Vader zou er jaloersch om worden. Gij zijt inderdaad meer bekommerd geweest over het kind van hierover, dan over het lang uitblijven van uw vader... help mij nu maar, om de kleine een beetje schoon te maken en droge kleertjes aan te doen. In de onderste la van de latafel liggen nog rokjes en kousjes, die gij hebt gedragen, krijg die eens."

Sluiten