Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En onder dat zeggen lei zij de vork, die zij bezig was te gebruiken, op de tafel en bedekte haar gelaat met het blauw linnen schort.

Acht weken achtereen had zij dé treurige voldoening, een profetes der waarheid te zijn; dag aan dag klonk het droeve „ik heb het wel gezegd!" van hare lippen. Maar bij al haren kommer dacht zij toch, zonder het iemand te zeggen, aan den schoonsten krans, die ergens te vinden was. Met weemoedig verlangen zag zij de bloemen al in haar verbeelding, en het lint, dat er om heen was gevlochten en het fraaie gedicht met den naam Harbara Wenzel er onder, — en het kind, dat door zijn krachtige natuur de ziektehad overwonnen, en met blijden, dankbaren blik dien krans der gelukwensching aannam, uit de hand van de oude, trouwe Barbe.

Er scheen weer een zonnetje in huis. Mijnheer Lamprecht die in de dagen en weken, dat de toestand van Grete zoo gevaarlijk was, bijna niet van het ziekbed geweken was, richtte zijn gebogene gestalte weder op, in houding en gelaat stond de oude natuur weer te lezen, ja, de huisgenooten vonden, dat hij er nooit zoo tier, zoo uitdagend bijna had uitgezien, als nu. Wat echter allen in huis veel genoegen deed, stemde Barbe tot droefheid en wekte hare ergernis. Hij had namelijk zijn besluit ten uitvoer gebracht en had de spookkamer der overledene mevrouw Dorothea tot zijn eigen kamer ingericht en tusschen den zijgang en de steenen zaal een deur laten maken... De oude keukenmeid vond het letterlijk een lastering en een uittarting van God, als zij hem daar boven de verbleekte gordijnen zag open schuiven, om dan door de ramen te gaan staan kijken, alsof het de onschuldigste en natuurlijkste zaak van de wereld was. Niemand sprak meer over de door den gang zwevende spookgestalte. Natuurlijk niet! Geen christenmensch kon toch door een dikke, zware deur zien, die altijd gesloten bleef. Maar hoe Barbe er ook op rekende, de morgen brak maar niet aan, dat mijnheer Lamprecht met omgedraaiden nek dood op zijn bed werd gevonden — integendeel, het had er veel van, of er een nieuw leven in hem was begonnen.

Grootpapa, die, in den ongeluksnacht van Hermsleben t'huis komende, niet van zijn paard gestegen, maar dadelijk was doorgereden naar de stad om daar te blijven, zoolang voor zijn lieveling gevaar bestond, lachtte, spotte, en schertste weer op de oude, vrije, ruwe manier, maar toen zijn lieveling voor de eerste maal een tijdlang op kon zitten, toen kon hij het niet meer uithouden en reed weg naar Dambach. De leelijke schreeuwer, het bedorven beest op de tweede verdieping joeg hem weg met zijn

Sluiten