Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het bleeke gezicht. „Maar ik zou mij daar toch nooit zoo boos om maken. Houd u kalm, mijn jongen! Die lui in het pakhuis zijn voor ons nu eenmaal een noodzakelijk kwaad — men went er langzamerhand aan, zoo zal het u ook wel gaan."

„Neen, grootmama, dat zal het nooit! antwoordde de jongeling, terwijl hij met zenuwachtige drift zijn servet samenvouwde en op tafel gooide.

„Poeh, hoe driftig!" riep de freule von Taubeneck met een hartelijken lach, die haar fraaie tanden keurig te zien gaf, „veel leven om niemandal ! Ik vat niet, waarom mama zich door een paar mooie tonen op eens het zwijgen laat opleggen, maar nog minder, mijnheer Lamprecht, begrijp ik, hoe gij zoo boos wordt. Dat heb ik van mijn leven zoo niet gezien." Zij nam, den schoonen, ronden arm uitstekend, een sinaasappel van het middenstuk en begon daaraan te schillen.

Reinhold kreeg een kleur en begon zich een beetje te schamen over zijn dwazen uitval. „Ik maak mij driftig," zoo trachtte hij zich te verontschuldigen, „omdat men zich van dien zing-zang alles moet laten welgevallen. Die jongen ziet het altijd, als wij hier gezelschap hebben en beeldt zich in dat hij er bij behoort te wezen, de jongen is de onbeschaamdheid zelf!"

„Ge zegt meer dan ge verantwoorden kunt, Reinhold," zei tante Sofie, terwijl zij juist achter zijn stoel langs ging. Zij had, met al de zorg, die men van haar kende, de koffie gezet en presenteerde zelf op een zilveren blaadje aan mevrouw von Taubeneck. Tante Sohe had een zwarte, zijden japon aan ; al jaren lang droeg zij het volle grijze haar in twee zware krullen aan beide zijden van het hooge voorhoofd en een doekje van fijne zwarte kant daarover heen. Zij zag er in hare eenvoudige maar keurige kleeding niet minder deftig en voornaam uit dan een van de anderen. „De kleine," zoo vervolgde zij, terwijl zij een schaaltje met suiker van de tafel nam, „de kleine bekommert zich volstrekt niet om een van ons allen, hij zingt omdat hij er behoefte aan heeft, als een vogel. Het welt hem, om zoo te zeggen, van zelf uit de borst en — ik kom er voor uit, het is heerlijk om die kinderstem te hooren. Hoort gij het?" Met die vraag zag zij de tafel rond en wenkte naar de plaats.

„De Hemelen vertellen zijne eer!" zong de kleine knaap daar buiten en liefelijker stem had nooit de eere Gods gezongen.

Reinhold wierp tante Sofie een blik toe, die den toorn van Grete in hevige mate opwekte. „Hoe durft gij in dezen aanzienlijken kring u in het gesprek te mengen ?" Die vraag lag duidelijk

Sluiten