Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ge, ik had geen lust om een koerier vooruit te sturen — dat kwam mij wat al te duur, en ik dacht, al kwam ik geheel onverwacht, er zou nog wel een plekje voor mij in huis open zijn."

„Nu, als ik nog een oogenblik er aan kon twijfelen, of die ion°-e dame werkelijk de ondeugende Grete zou zijn, nu weet ik het Zij komt net terug, zooals zij gegaan is."

,,Ik hoop het, oom."

Hij keerde zich even om, als wilde hij een glimlach, die hem om de lippen speelde, verbergen. „Maar wat nu verder?" vroeg hij, „komt gij niet bij ons binnen?"

„O, zeker niet! Zoo gekleed als ik ben met stof op het gezicht en in de kleeren, een verfrommelde japon en gebruikte handschoenen — een mooi debut tegenover de deftige heeren en dames met rokken en slepen." En zij wees naar het gezelschap, dat weer druk aan t praten was. „Neen, oom, dat zou mij niet bevallen."

';^u' zooais ge wilt, zeide hij koel en haalde de schouders op. „Wil ik uw papa of tante Sofie ook even waarschuwen?"

„Zeker niet!" Zij deed onwillekeurig een stap vooruit, om hem tegen te houden en stond zoo even in het volle licht — een fijn schoon gelaat door donker haar omlijst. „Zeker niet. Die beiden zijn mij veel te lief, om hen eerst in donker te zien. Ik moet hunne gezichten vlak voor mij hebben, ik moet zien, of zij ook blij zijn.... En moeten dan nu al die menschen weten, dat gij mij als luisteraarster hebt betrapt? - Ik schaam er mij genoeg over. Maar het licht van de kroon lokte zoo verleidelijk, dat ik de verzoeking niet kon weerstaan !" Nu, ik ga weer naar beneden. Ik neb genoeg gezien."

„Zoo ? Wat hebt gij dan gezien ?"

„Och, heel veel schoonheid, werkelijk bewonderenswaardige schoonheid, oom, maar ook veel voornaamheid — veel genade — te veel voor ons huis."

„Dat vinden de uwen niet," zeide hij scherp.

„Zoo schijnt het," antwoordde zij koel. „Maar die zijn ook veel knapper en verstandiger dan ik. Mij heeft altijd de weinige beteekems \an mijne voorouders, de oude linnenkooplui in het bloed gezeten ik houd er niet van, dat men mij iets geeft."

Hij ging achteruit. „Ik zal niet anders kunnen, als u maar aan uw lot overlaten," zei hij droog weg en met een stijven, korten hoofdknik.

„Och, ik bid u — nog even maar ! Was ik de vrouw met de karbonkelsteenen in het haar, dan behoefde ik u niet lastig te vallen en kwam ongezien hier voorbij, nu echter moet ik u vrien-

Sluiten