Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen, ik benijd hen volstrekt niet, maar ik ben er tegen, dat zij voor dat klimmen mijn lichaam gebruiken. En dat is het juist, hoe hooger zij komen, hoe krachtiger in hen het verlangen levendig wordt, om ons er onder te houden. Maar zelfs daarom koester ik nog geen haat, ik kan het verleden niet vergeten. De zucht om de burgerij tegen te werken, haar te verhinderen bloeiend en krachtig te worden, zit bij overlevering hun in het bloed. Daar toorn ik tegen, en met geweld verheft zich die toorn tegen die veile mannen uit ons midden, die hun vaandel verlaten, die, om persoonlijk voordeel te verkrijgen, als slaven kruipen en eigen vleesch en bloed bestrijden, en die des te dweepzieker woelen en woeden, naarmate zij inniger overtuigd zijn, dat ieder eerlijk man hen veracht. Zoo sprak doctor...."

„Och, ook al een van die lui, voor wie de druiven zuur zijn," viel de handelsraad haar op minachtenden toon in de rede, „een mug, die de vleugels niet eens kan verbranden, omdat zij niet dicht genoeg bij het licht komen kan ! Hij keert ook nog wel eens om, Grete ! Wij zijn immers kinderen van onzen tijd en geen Spartanen.... En al is de zaak in het geheel niet in den haak, en al komt ook de kruipende vleierei in haar leelijksten vorm voor den dag, de wereld heeft toch respect voor het knoopsgat met het lintje en noemt vol eerbied den nieuwen titel, dien de slaafsche kruiper heeft veroverd.... Ik voor mij behoor in het geheel niet tot die lage vleiers — ik wil niets hebben en ik behoef mij niet te veranderen, want ikheb nooit eenige roeping in mij gevoeld, met tirades over volksdeugd en volksgeluk mij belachelijk aan te stellen. Dat is een verstandszaak, maar ik heb onwillekeurig eerbied voor wat men in hoogere kringen zegt en hoe men daar oordeelt. Dat zit bij mij in het bloed. Het is sterker dan ik — ik kan er niets tegen doen; al worstel ik met al de kracht die in mij is."

Op eens liet hij Grete los en liep met zekere drift de kamer op en neêr. „Ja, wanneer men maar zoo op eens karakter, opvoeding, alles van zich af kon schudden en men zich als op een onbewoond eiland durfde laten zien met al wat er omgaat in het diepst van de ziel — ja, dan !" en hij balde de vuist, alsof een onzichtbare vijand voor hem stond.

Blijkbaar had hij tegenover de innige wilskracht, die Grete aan den dag lei, vergeten, dat zoo zijn nog jeugdig kind getuige werd van zijn smart.

„Ga nu naar beneden, kind," hernam hij op bedaarder toon. „Gij zult wel moe zijn en honger hebben ; jk vrees, dat daar nog niemand aan gedacht heeft. Van wat er van het diner overschoot

Sluiten