Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, daar lacht gij om en uw grootvader lacht ook ! Ik lach om de stof, die twee vrouwenrokken rondom," en hij beschreef met zijn arm een wijden kring om zich heen, „doen opvliegen — een apenkomedie, zeg ik u ! „Wel, zijt ge al op den Prinsenhof geweest?" klinkt het hier en „zijt ge al voorgesteld?" vraagt men daar ! En de een kijkt hoogmoedig naar den ander, die niet zooals hij op het groote diner is geweest, of haalt de schouders medelijdend op, wanneer men onnoozel genoeg is om te zeggen, dat men bedankt heeft, wijl men liever thuis bleef.... Ja, kijk, Grete, een mensch is nooit te oud om te leeren ! Ik had altijd gedacht, dat ik hier leefde tusschen lui van het echte Thüringsche slag, flinke, ronde kerels, en wat zie ik nu ? Daar wringen diezelfde Thüringers zich in eën mooien rok, gooien eau de cologne of ander reukgoed op hun zakdoek," en hij had moeite om een vloek binnen te houden, „en dan zetten zij de lippen eventjes aan den rand van het kopje en drinken thee met dunne boterhammetjes — ik gun hun, dat zij hun verslikken, die fijne bourgogne drinkers."

Grete keek hem van ter zijde aan; daar was geen spoor van lachlust te zien op het oude gezicht, dat integendeel van toorn scheen te gloeien, terwijl de zware wenkbrauwen verontrustend nauw tot elkander werden getrokken. Met schalkschen lach stak zij haar arm in de zijne en hief den rechtervoet een weinig in de hoogte, om met hem in den pas te loopen als het kon.

Met een onwillekeurigen glimlach zag hij op haar neêr. Die kleine voetjes in die fijne puntige laarsjes stonden toch een beetje al te gek naast zijn geweldige stevels. „Wat zijt ge toch een nietig ding met die kleine wandelstokjes, en dat wil dan ook nog mee doen," zoo begon hij op smalenden toon. „Neen, dan leeft dat jonge ding in den Prinsenhof op een anderen voet. Sakkerloot, daar moet men respekt voor hebben! Het heeft er wel iels van, of men u in de wieg met elkander heeft verruild, want op zulk een klein voetje hebt gij eigenlijk geen recht, en voor iemand van zuiver blauw bloed is een groote voet al een heel leelijke speling van de natuur. Maar wat waar is moet gezegd worden, mooi is zij, de jonge freule. Wit en rood als melk en bloed, blond — met dat zwarte hoofd moogt gij wel in een hoek kruipen — groot," en hij hief de hand bijna zoo hoog als hij zelf was, „flink gebouwd, stevig en slank, echt Pommersch ,ras, veel kans van een deftige gezetheid te krijgen en dood kalm en bedaard. Zoo'n hazewindje, als daar nu naast mij voorttrippelt, is er maar niets bij, hoor.''

Sluiten