Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik geloof, dat zij u daarboven voor Asschepoester gebruiken," hernam de handelsraad met een toornigen gloed in de oogen.

„Wat zou dat? Daar is de jongen niets minder om," zei de oude heer. „Toen ik een jongen van negen jaar was, heb ik ook wel hout voor de keuken klein gemaakt. Ik werkte in den stal en op het land als een boerenjongen — is de man daar nu iets minder om ? En wat toekomst ligt er voor zoo'n knaap open? — Ik merk wel daar is iets bij dat niet in den haak is; of men ooit over de zee terug zal komen, om zijn vervloekten plicht te doen dat is de vraag. In onze dagen neemt men het met die dingen zoo nauw niet. Nu, en de oude daar," hij wees naar boven, naar het pakhuis, „die zal het zijne ook wel op kunnen ! Wat moest die jongen dan anders als zijn best doen, om door de wereld te komen en zijn hoofd boven water houden ?"

„Ik heb plan hem later op het kantoor te nemen," viel de handelsraad hem in de rede, terwijl hij onwillekeurig den jongen de hand op het hoofd lei, als was hem het denkbeeld onverdragelijk, dat dit kind in den strijd om het bestaan zou kunnen ten onder gaan. „Ferm, dat is een goed ding, Boudewijn. Maar denk dan om een die daar binnen zit," en hij wees naar het kantoor, waar de gordijn voor het raam weer scheen bewogen te worden. „Het geeft anders moord en doodslag!"

Hartelijk tikte hij Grete tegen den wang en bood tante Sofie de hand ten afscheid. „Tot wederziens, nicht Sofie," zoo noemde hij haar altijd. „Ik kom van nacht in de stad logeeren, om een avondje samen te zijn met Herbert en Grete, wees zoo goed dit alleronderdanigst boven te melden." Lachende maakte hij een eerbiedige buiging en sloeg den weg in naar de markt.

Een oogenblik bleef de handelsraad als aan den grond geworteld staan. Hij zag dat zijn dochter den wegloopenden knaap achterna vloog en hem, terwijl zij zijn hoofd met beide handen vasthield, hartelijk kuste ; dat was een te lieflijk gezicht dan dat hij er aanstonds het hoofd van kon afwenden.

„Kijk daar heeft zij hem al beet!" zei Barbe, die door het keukenraam alles zag, wat op de plaats gebeurde, lachende tot haar kameraad. „Ik dacht het wel dat onze brave Grete het met Keinhold en die andere op de bovenverdieping niet eens zou fwi k'e'ne jon£en met zijn mooien kroeskop moet men wel hefkrijgen als men tenminste geen steen heeft zitten op de plaats van zijn hart. Wat loopt hij, schuddende van het lachen, omdat het mooie meisje hem bij de haren heeft gepakt 1 De jeugd, dat is toch wat moois ! Dat zult ge toch ook wel toestemmen, Jette,

De Vrouw met de Ktrbonkeleteenen.

7

Sluiten