Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onwillekeurig schrikte zij voor zich zelf, toen zij den laatsten haak had vastgemaakt en nog eens voor den spiegel ging staan. Een weinig schuw keek zij naar de oogen van den ouden Justus, die alles schenen waar te nemen wat zij deed, terwijl de volle hand, die op een foliant rustte, elk oogenblik scheen te zullen worden opgeheven, om het vermetele kind aan te grijpen. Nu, de maskerade zou gauw uit zijn en het oude kleed weêr op zijn plaats hangen in de kast, maar eerst moest toch tante Sofie haar zoo eens zien.

Onwillekeurig trad zij met een deftige, langzame beweging uit den gang te voorschijn. De sleep ruischte over den steenen vloer waarlijk, als de schoone Dora dit kleed aan had gehad, had zij niet zoo zonder eenig gedruisch door den gang kunnen zweven.

De huisknecht kwam juist uit het roode salon en liep de steenen zaal door naar de deur. Zonder erg keerde hij zich even om, toen hij de naderende voetstappen hoorde, en vloog in het volgende oogenblik met een woesten sprong de deur uit, die hij met geweld achter zich dicht trok.

Grete begon te lachen, toen zij dien held zag vluchten en trad de deur binnen van het roode salon, maar week aanstonds ontsteld terug omdat tante Sofie niet alleen was, maar oom Herbert naast haar stond bij het raam.

Gisterenmiddag om denzelfden tijd zou het haar volkomen onverschillig zijn geweest of hij daar had gestaan of niet. Hij had nooit onder de huisgenooten behoord, aan wien zij in den vreemde veel had gedacht, of naar wien zij sterk had verlangd en ook de eerste ontmoeting met hem na hare thuiskomst had haar juist geen bijzonder genoegen gedaan. Maar sinds zij gisteravond een tijdlang samen met hem was geweest bij de oude lui boven, had zij een onverklaarbaar gevoel van afkeer voor hem opgevat. Niet dat de opgewondene vereering van grootmama voor haar hoogst verdienstelijken zoon, of de niet te miskennen hoogachting die haar vader voor zijn zwager koesterde, veel indruk op haar hadden gemaakt — zij wist wel dat beiden niets vereerden dan het geluk dat Herbert scheen te volgen, of dat zij in hem een uitverkorene zagen, wijl de hoogstgeplaatsten met hem omgingen als met hun gelijken — dat was haar volmaakt onverschillig ; maar de houding van grootpapa, die anders zoo volkomen oprecht was, had haar getroffen. Men kon toch niet aannemen, dat deze volkomen blind zou zijn voor de manier, waarop zijn zoon vooruit kwam in de wereld, dat hij niet zou weten, welke kruiwagens hem gemakkelijk brachten, waar anderen eerst na

Sluiten