Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezoeken," zei zij, zich van hem afwendend, ter verklaring aan tante Softe.

De landraad bleef met den rug tegen het raam staan leunen. „Dus een politieke genegenheid, Grete?'' vroeg hij spottend. „Tante Elise laat zich er anders over uit."

Grete's oogen fonkelden van gekrenkten meisjestrots. Toch wist zij zich in te houden. „Dat heeft zoo iets van een heel gewoon kransjespraatje! En daar zou een geestvolle vrouw als tante Elise zich mee ophouden?" Met minachting haalde zij de schouders op.

Oom Herbert begon te lachen. „De ervaring leert, dat, in zake van huwelijksplannen, alle vrouwen, de geestvollen zoowel als de armen van geest, hetzelfde onoverwinnelijke zwak hebben."

„Mag ik u verzoeken, ik niet," kwam tante Softe zeer ernstig tusschenbeiden. „Aan zulke gevaarlijke dingen heb ik nog nooit de vingers gebrand."

„Roem daar maar niet al te gauw op, juffouw Softe. Het zou kunnen gebeuren, dat gij juist nu in een heel sterke verzoeking werd geleid," waarschuwde hij op sarkastische toon. „Mijnheer von Billingen moet een mooi man zijn —"

„Ja, hij is nog al groot en heeft een gezicht wit en rood als appelbloesem," zoo viel Grete hem in de rede.

Hij wendde het oog niet van zijn vingertoppen af, maar scheen die met zekere aandacht te beschouwen.

„Daarbij draagt hij een naam, die zeer aanzienlijk en vooral zeer oud is," vervolgde hij doodkalm.

„O ja, heel oud," zei Grete weer. „De wapenkundigen zijn het nog niet eens, of de zeldzame figuur op een van de velden van zijn wapen den vuursteenen bijl van een holbewoner of een stuk van een weelgetouw uit den paalbouw moet verbeelden."

„Sapperloot, wat een stamboom! Daar moeten onze dikste eiken voor onderdoen," spotte tante Sofie. „En wilt gij zoo hoog op, Grete ?"

De oogen van het jonge meisje straalden ,van moedwil. „Maar mijn hemel, waarom zou ik niet?" vroeg zij. „Dat hoog op willen ligt immers in den geest van onzen tijd? En hoe zou ik, een meisje, dat acht lood minder hersenen heeft dan de heeren der schepping, tegen dien geest in, mij een eigen oordeel scheppen en een eigen weg kiezen? Dank u, zoo vermetel ben ik niet! Ik loop mee op den grooten weg van mode en tijdgeest, en ik zie niet in, waarom ik er ook geen lust in zou hebben, wat meer te worden in de wereld en mij het stof mijner afkomst van de voeten te schudden."

Sluiten