Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat zegt ge? Een klein ongeluk?" riep de jongeling driftig. „Het schijnt wel, tante, dat gij weinig begrip hebt van al de waarde, die hier aan uw zorg is toevertrouwd. Die vaas heeft volle tien dukaten gekost — ik kan het u uit de boeken laten zien, volle tien dukaten! Het is verschrikkelijk als men denkt, hoe er soms met het geld wordt gegooid. Grootpapa heeft daar ook slag van gehad. Daar zitten duizende guldens in dien ouden rommel, dien hij bij elkaar heeft gesleept. De kooplui in oudheden weten het best en kloppen gedurig bij ons aan; maar papa wordt dan altijd boos, terwijl ik zit te vergaan van ergernis voor die ellendige verkwisting!... Maar dat zal wel anders worden! Die boel zal nog wel eens worden opgeruimd en dan wordt alles verzilverd, alles, wat niet bepaald voor de huishouding noodig is." Hij schudde het hoofd en wierp de scherven weer op de tafel. „Tien dukaten! O, natuurlijk een kleinigheid voor allen hier in huis, die niet kunnen rekenen!"

'.'Houd u maar kalm, ik ken mijn tweemaal twee op mijn duimpje en behoef niet op uw kantoorstoel te zitten om te weten welke waarde het geld heeft ', zei tante Sofie bedaard. „Die tien dukaten waren echter al lang uit het raam gegooid. Ook de slimste wordt soms beetgenomen met namaak, zooals dat", en zij wees op de scherven.

„Namaak — wie zegt dat?"

„Grete zei het", antwoordde de landraad, die langzaam bij de tafel gekomen was.

Reinhold begon daarop hard te lachen. „Grete? —Die daar?" en strekte den arm uit naar het jonge meisje.

„Ja, uw zuster", hernam de landraad met een verwijtenden blik op zijn onbeschoften neef. „Ik zou u wel vriendelijk willen verzoeken, om dien ongemanierden jongensachtigen toon tegenover uwe tante en uw zuster oogenblikkelijk te veranderen. Men heeft u altijd, om uw zenuwachtige korzeligheid wat toegegeven — ik vrees te veel. In elk geval dient gij nu te weten, wat de houding en de plichten zijn van een fatsoenlijk en welopgevoed man".

Eerst luisterde Reinhold met stomme verbazing. Uit dien mond had hij nog nooit zulke scherpe woorden gehoord, maar bij al zijn schaamtelooze aanmatiging was hij toch in den grond laf en ging uit den weg voor iedereen, die wat sterker was dan hij. Daarom beet hij op zijn onderlip, maar zei geen woord. Met een schuwen blik tastte hij in zijn zak, haalde er een brief uit en gooide dien nijdig op de tafel, zoodat het groote zegel boven kwam te liggen.

„Hier, Grete", riep hij kortaf. Die brief is voor u afgegeven aan

Sluiten