Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

later zult gij mij veel te zeggen hebben, oneindig veel mijn kind, dat mij voor mijn geheele leven gelukkig maakt — dat weet ik. Tot zoolang blijf ik stil".

Grete antwoordde niets. Met aarzelende hand nam zij den brief op, stak hem in een der wijde zakken van de japon en ging toen heen, om zich te verkleeden. Op dat oogenblik schoot het mevrouw Marschal te binnen, dat zij eigenlijk bij tante Sofie was gekomen, om te vragen naar een recept van een taart. De landraad, die alleen de trap op was gekomen, omdat hij beneden in het voorbijgaan de vaas had hooren vallen, had ook zijn hoed en stok van de tafel genomen en was het salon uitgegaan naar de steenen zaal.

Daar bleef hij voor een van de kasten staan, schijnbaar met aandacht de kannen en bekers beschouwende, die er boven op stonden, toen Grete hem voorbijging op weg naar den donkeren gang.

„Gij zult later wel wat bij mij goed hebben te maken, Grete", zei hij fluisterend, maar te gelijk zeer ernstig, zonder haar aan te zien.

,,Ik oom ?" Zij bleef staan en zag hem lachend in het gezicht. „Och dadeiijk wel, als gij er op gesteld zijt! Nichtjes en dochters kunnen dat gerust doen, zonder daarmee hare waardigheid als vrouw te schaden".

Hij keerde zich nu geheel naar haar toe, maar sloeg daarbij tegelijk een zoo streng verwijtenden blik op den naderbij komenden Reinhold, dat deze zich haastte om met de beide oude dames weg te komen uit de steenen zaal.

„Het schijnt wel, dat de jaren, waarin wij elkander niet gezien hebben, voor mij dubbel rekenen", zei Herbert op somberen toon. „Ik ben zeker in uw oog al heel oud en eerwaardig, Grete?"

Zij boog het hoofdje een weinig op zij en zag hem met overmoedigen blik in het gezicht. Nu, zoo erg is het nog niet — in uw mooien baard zie ik nog geen enkel grijs haartje".

„Het is al erg genoeg, dunkt mij, dat gij er naar zoekt!" Hij keek even naar het openstaande raam. „Het kwam mij eenigszins vreemd voor, toen ik bij uw thuiskomst zoo deftig gegroet werd. Voor zoover ik weet heeft Reinhold mij altijd oom genoemd, maar gij niet".

„Dat is waar, daar hebt gij gelijk in, ik niet, al heeft het mij menige strafpredikatie op den hals gehaald. Uw oomesgezicht maakte mij nooit bang! Net als melk en bloed, placht Barbe te zeggen."

„Ah zoo — dan is u nu de kleur oud en vergrijsd genoeg?"

Sluiten