Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote ramen in de benedenverdieping stondjopen, de felle wind woei over het pakhuis heen naar binnen en voer onder het geluid van een orgeltoon langs den steenen muur.

Toen Grete de trap afkwam, zag zij haar vader voor dat open venster staan. De wind gierde hem langs de breede borst en woelde hem door de haren.

„Wilt gij wel gauw daar af gaan" riep hij tegen den huilenden wind in en wees driftig met den arm naar de plaats.

Het meisje ging naast hem staan, hij schrikte toen hij haar zag.

„Die wilde gek van een jongen schijnt zijn nek te willen breken," zei hij angstig naar het pakhuis ziende.

Daar stond de kleine Max op den rand van een der balkons. Hij had zijn linkerarm om een der pijlers geslagen, waar het dak op rustte, den rechterarm hield hij in de hoogte, terwijl hij tegen den storm in poogde te zingen; wat hij zong was geen geregelde wijs, slechts enkele tonen liet hij langer of korter weerklinken, als wilde hij de kracht zijner kleine longen op de proef stellen tegen den storm. Dit was de orgeltoon geweest. De kleine zanger had zeker de waarschuwing van de overzijde niet gehoord, althans hij g'ng voort met zingen.

„Die zal niet vallen, papa," zij Grete lachende. „Ik weet best, wat men op dien leeftijd kan wagen. De balken op den zolder zouden nog heel andere dingen van mijne halsbrekende kunsten kunnen vertellen.... De storm doet hem niets, hij staat bijna buiten den wind .... Het oude houtwerk van de leuning, of dat no& goed te vertrouwen is — dat zou ik niet durven zeggen...." Met die woorden haalde zij haar zakdoek uit den zak en wuifde er mee uit het raam.

Dadelijk merkte de kleine dat teeken op. Hij zweeg en sprong op het balkon. In zichtbare verlegenheid deed hij, of hij daar iets moest zoeken en scheen zich te schamen, dat iemand hem had zien staan.

„Dat ventje heeft goud in zijn keel," zei Grete, „maar hij gaat er veel te verkwistend mee om. Over twintig jaren zal hij zoo niet meer tegen den storm inzingen en den kostelijken schat beter op prijs weten te stellen. Hij komt niet op uw kantoor terecht, papa, hij wordt een groot zanger."

„Denkt ge dat ?" En hij zag haar aan met een vreemden, haast vijandigen gloed in de oogen. „Ik geloof niet, dat hij geboren is om andere menschen te vermaken."

Met die woorden wilde hij het venster sluiten, maar op eens sloeg een rukwind hem het raam uit de hand en een windstoot

Sluiten