Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bedienden en de heeren uit het kantoor. De storm joeg hen allen naar de plek, waar Grete stond, onder den lindeboom bij de weverij.

Nu, de handelsraad was gered! De oude, sterke poort kon den woedenusten storm doorstaan, maar het kind, het arme jongentje lag zeker dood onder de steenen. Barbe had het nog even te voren uit het keukenraam gezien.

Het gezicht der oude keukenmeid was vaalbleek van schrik; maar tegen den razenden storm in riep zij nog de overigen toe ? »nu, wat zegt ge nu ? Daar is het nu, Barbe heeft het wel gezegd !"

Men kon haar nauwelijk verstaan. Stof, storm en schrik verstikten hare stem, maar — gezegd moest het worden !

Tante Sofie knoopte haar zakdoek vast over het hoofd en hield de rokken met beide handen vast. Zeggen kon zij nog niets, maar handen en voeten waren nog goed in orde. Zonder op de vallende steenen en pannen acht te geven, zonder zich te storen aan den huilenden storm, vloog zij de plaats over en den puinhoop op, waar de arme jongen onder moest liggen, en al de anderen volgden haar.. Maar tegelijkertijd kwam aan de andere zijde bij een raam van het pakhuis de handelsraad te voorschijn en riep : „terug, gaat allen terug. Er is niemand verongelukt !"

Goddank dan! Alle gezichten klaarden op. Mocht er dan nog verder vallen, wat zich niet houden kon, dat deerde niemand, timmerman en metselaar waren goed voor de schade. Men kon dus gerust weer in huis gaan.

't Heeft toch maar een haartje gescheeld !" zei Barbe op waarschuwenden toon en veegde met haar schort het stof van 't gezicht. „Ik begrijp nog niet hoe de jongen het ontkomen is — ik begrijp er niets van ! Hij stond dan toch, juist toen het gebeurde, op de lenning van het balkon."

Ongeloovig schudde zij het hoofd.

„Het heeft zoo moeten zijn en het is een wonderlijk toeval, een geluk uit duizenden, dat het niet erger af is geloopen. Voor ons huis zou het verschrikkelijk z ijn geweest, en niemand van ons had ooit weer vroolijk kunnen zijn."

„Wees toch niet zoo onnoozel, Barbe !" riep Reinhold op nijdigen toon. Hij was alleen in huis achtergebleven, omdat hij bang was voor wind en tocht. „Gij praat wezenlijk, of er een lid van de familie in gevaar is geweest. Misschien hadden de Lamprechts nog wel in den rouw moeten gaan, als die verversjongen verongelukt was. Gek gebabbel! Maar zoo zijt gij altemaal! Wat u en uws gelijken aangaat, dat doet u zeer, maar of uw heer en

Sluiten