Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

papa, [die zijn kind vijf jaren lang van huis liet gaan?" vroeg hij, nog wel lachende, maar terwijl toch zijn onderlip zenuwachtig trilde.

Zij sprong op en vleide zich tegen hem aan.

„O, dat is heel wat anders!" riep zij op levendigen toon. „Gij kondt elk oogenblik uw wildzang zien, en wat zijt gij er dikwijls om gekomen! Gij behoeft ook maar een woord te zeggen en ik ga nooit weer weg. Maar die vader van den kleinen Lenz. —"

„Nooit?" herhaalde de handelsraad, alsof hij die laatste woorden niet had gehoord, „nooit? Kind, kind! Hoe kort kan het nog duren, of daar komt een stormwind van den kant van Mekklenburg en waait mij mijn kleinen wildzang weg!"

Zij ging een schrede achteruit en haar gelaat betrok. „Och, weet gij dat ook al? Nu, men schijnt wel haast te hebben!" rr »Wie meent gij met die „men"?"

„Wel, wie anders dan grootmama en oom Herbert, den deftigen landraad!" Met geveinsde drift streek zij de hand door de lokken en schoof die van het voorhoofd weg. „Verschrikkelijk! Nu zijn zij bij u al bezig geweest en het is nog geen vier en twintig uren geleden, dat zij van het praatje van tante Elise hebben gehoord! Och ja, ik moet maar zoo spoedig mogelijk de deur uit! Men heeft nu een deftige adellijke dame noodig in de familie, een dame, wier naam een glans werpt over ons eenvoudig huis, zoodat het genade kan vinden bij de hooggeplaatsten. En daarom zal het arme offer, zal Grete geslacht worden... maar dat gaat zoo gemakkelijk niet."

En zij lachte liarteiijk.

„In elk geval dient men het meisje te hebben, eer men het binden kan. „Oom Herbert —"

„Hoe denkt gij toch zoo vreemd over oom?" viel hij haar in de rede. „Hij heeft de Lamprechts nergens voor noodig en het is hem zeker onverschillig, wat naam gij draagt. Oom wil alleen voort uit eigen kracht. Menigeen struikelt wel over dit tartend, niet zeer bescheiden beginsel en juist in dezen tijd, waar elk afzonderlijk zoeken en streven opgaat in de zucht tot vereeniging, is het minder dan ooit op zijn plaats. Maar hij kan het volhouden, hij, een echt Zondagskind, die door iedereen wordt gezocht, al zocht hij niemand. Ik geloof zelfs, dat hij aarzelt, als hij er aan denkt, dat de schoone Heloise bij haar huwelijk meer zou aanbrengen, dan hij geven kan en — dat hij haar daarom nog maar niet durft te vragen."

„Onmogelijk!" riep zij uit en schudde ongeloovig lachend het

Sluiten