Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK |XIV.

De gordijnen voor de ramen werden neêrgelaten. Wie had er nog lust naar de markt te zitten kijken, waar de arme menschenkinderen, die „moesten" met levensgevaar tegen den huilenden storm worstelden, waar de woedende windvlagen het water van de bron geeselden, en met alles, wat zij los konden wringen speelden en gooiden tot over de daken toe. Het was zeer koud geworden, maar tante Sofie doofde het vuur in de kachel en zette den zingenden watetketel op de tafel — men moest van binnen maar warm trachten te worden, zei zij, want vuur te stoken onder zulk noodweer was niet geraden. Zij althans deed het niet. Voorzichtig had zij nog eens de rondte gedaan door het geheele huis en alle deuren en vensters nagekeken. Het zou haar niet verwonderen, als van nacht het dak van het woonhuis nog op de markt terecht kwam, verzekerde zij. Nooit had zij het nog zoo beleefd.

Men zat vanavond niet gezellig bijeen. De handelsraad had geen lust iets te gebruiken en bleef op zijn kamer. ToenReinhold een enkele kop thee had gedronken, ging hij weer naar het kantoor, altijd nog mokkend over het ongeluk met het pakhuis. Zoo zaten tante Sofie en Grete alleen den naderenden nacht af te wachten. Niemand van de boden ging naar bed, maar allen bleven gezamenlijk in de keuken; de meiden warmden de koude handen onder het voorschoot en de knechts hielden de koude pijpen in den mond en luisterden met angstigen zorg naar het vreeselijk en steeds toenemend gehuil... Het was waarlijk, of de storm de oude stad, die meer dan duizend jaren dienst had gedaan als wachter aan den zoom van het Thüringer woud en in die jaren zoo menigen storm had doorworsteld, nu in enkele uren voor goed in splinters en scherven wilde doen vergaan. Onder zijn stooten trilde de aarde, pannen en leien vlogen door de lucht en vielen onder helsch rumoer op de steenen, en tusschen al dat akelig gegier en gehuil mengde zich een klagend geluid, als waren, door de geweldige voetstappen van den razende, de lang begravenen op het stille kerkhof buiten weer wakker geworden en dwaalden zij nu rond door de straten die zij eens bewandeld hadden.

Tegen twaalf uur werd de kamerdeur opengedaan en Barbe kwam binnen, bleek, sidderend van angst en met den wijsvinger der rechterhand naar de hoogte Hij liep en draafde en trappelde

Sluiten