Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoeg voor buitengewone onkosten worden betaald. Toen het volle daglicht op de ruïne van het pakhuis viel, bleek het maar al te zeer, dat hier veel te herstellen zou zijn, eer alles weêr was als vroeger.

Grete ging de zijdeur uit naar de plaats, om den toestand te overzien; op hetzelfde oogenblik kwam ook de landraad buiten, gelaarsd en gespoord en met de karwats in de hand ; hij liep door naar den stal. Of hij den ouden man niet zag, of dat ook voor hem het parool bestond van het woonhuis, krachtens hetwelk de bewoners van het pakhuis werden aangemerkt als niet bestaande, hij ging den stal in, zonder den eerbiedigen groet te beantwoorden van den ouden Lenz, die bij de bron stond.

De grijsaard was, zoo het scheen, over den puinhoop geklauterd, eenig en alleen om de stukken van de omgewaaide nymf bijeen te zoeken. Hij had juist den kop uit het gras opgeraapt, toen Grete bij hem kwam en hem de hand toestak met een hartelijken morgengroet. Zij had altijd zooveel van hem gehouden, den cpgeruimden, ouden kunstenaar, die met zijn goede, trouwe oogen door zijn brilleglas zoo vroolijk rondzag in de wereld, en nu dacht zij op eens terug aan dien avond, toen zij als een verlaten en hulpeloos wicht het moede hoofdje tegen zijn borst had geleund. Dat had zij nooit kunnen vergeten.

Hij was zoo blij als een kind, dat hij haar eens wederzag, en verzekerde op haar hartelijk vragen dat binnen alles wel was, dat zijn vrouw heel spoedig beter was geworden en dat zij in hun schik waren nu zij er zoo goed af waren gekomen, al hadden zij voor het oogenblik haast geen dak boven hun hoofd. Al ras bracht hij het gesprek op de schoone lijnen in den kop van de nymf en op andere beroemde antieke standbeelden, een onderwerp waar Grete graag over meesprak, te meer, omdat Lenz een uitstekend oordeel over echte kunst bezat. Onder dat gesprek was de landraad weer uit den stal gekomen, had Grete een groet toegeworpen en liep nu langzaam onder de lindeboomen op en neer, wachtende op zijn paard.

Grete had even teruggeknikt, het hinderde haar, dat de trotsche ambtenaar zich opzettelijk zoo op een afstand hield — nu, om haar behoefde hij daar niet te blijven. Al pratende liep zij met Lenz over de plaats den kant naar het pakhuis op. Vlug sprong zij op een hoop steenen en stak den ouden man de hand toe om hem te helpen. Al woog zij niet veel, de losse steenen en balken waggelden toch onder hare kleine voetjes en toen de oude man er bij was, scheen het of alles in beweging raakte.

Sluiten