Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprong van de puinhoopen af en in een oogenblik verdrong zich een dichte menschenhoop om een boer. die hijgend naar den adem en met bevende stem, als ware hij bang dat hij zichzelf zou hoorén, begon te spreken.

„Achter het Dambacher bosch," klonk het somber en nauw hoorbaar, „achter het Dambacher bosch hebben zij hem gevonden !" zei plotseling een andere stem bij de half openstaande deur. Het was een jongen, die dat riep. „Zijn paard stond aan een boom gebonden," ging hij ademloos verder, „en hij lag op den grond. De vrouwen, die van de markt kwamen, dachten dat hij sliep. Zij hebben hem naar de fabriek gebracht. Zoo'n rijk man, die honderden arbeiders en knechten in zijn dienst heeft, moest toch zoo alleen..." Hij verstomde, toen hij opeens het doodsbleeke meisjesgezicht met dat zwarte doekje over het hoofd en met oogen vol schrik en ontzetting voor zich zag. Grete ging als wezenloos langs allen voorbij. Zij vroeg niet! „is hij dood?" Het was, of hare lippen krampachtig gesloten waren, stom en zonder om te zien liep zij de plaats over en de poort door naar de markt.

En nu ging het voort in haastigen spoed langs de stille straten denzelfden weg op, dien zij eens uit schrik voor de kostschool geloopen had... Maar aan die lang verleden dagen dacht zij niet; zij doorliep nu ook geen korenvelden met wuivende en fluisterende halmen en aren — aan alle kanten waren de velden kaal en de kraaien vlogen op tusschen de dorrende stoppels. Zij hoorde niet, dat de vogels schreeuwden en krijschten, het was haar of in de lucht om haar heen het lied weer werd gezongen: es is bestimmt in Gottes Rath, en altijd, altijd weer datzelfde lied... Een oogenblik stond zij stil en hield de handen tegen de ooren, om toch dat lied te doen zwijgen. Neen, het ergste kon toch niet zijn geschied! Zulk een krachtvolle gestalte, zulk een ijzeren man bezweek niet bij den eersten slag als het zwak en buigend riet; zoo greep het noodlot niet in het hoog opgetrokken gebouw van menschelijke berekeningen en plannen, om met één slag aan dat alles een einde te maken. — En verder vlogen de kleine voeten in ijlenden spoed langs korenveld, weide en bosch. Zij kon zich immers niet genoeg haasten om verlost te worden van dien ondragelijken angst, om zich te overtuigen, dat het mets was geweest als een aanval van duizeligheid, dat alles weer in orde zou komen, dat die oogen weer naar haar opzagen, dat die mond weer tot haar sprak, dat dit ontzettende uur achter haar zou liggen als een benauwde droom, die eindelijk uitgedroomd was.

„Achter het Dambacher boschje hebben zij hem gevonden,"

Sluiten