Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei haar alles. Zij kromp ineen van schrik, stiet zijne hand,1 die de hare nog altijd omklemd hield, van zich af en ging, met wankelenden tred, de plaats over naar het paviljoen.

„Het gaat haar aan het hart — zij weet haast net wat zij doet," hoorde zij de heldere stem der schoone Heloise medelijdend zeggen, „anders was zij zeker in deze kleeding niet uit de stad hierheen geloopen."

In de vestibule van het paviljoen ontmoette Grete twee dokters, die op het punt stonden te vertrekken, en de schreiende vrouw van den directeur; zij hoorde mompelen over een beroerte en over een benijdenswaardig gemakkelijken dood,

Zonder op te zien ging zij langs hen heen naar de kamer, waar haar vader doorgaans vertoefde, als hij buiten was. Ja, daar lag hij op een rustbank. Het bleeke gelaat stak somber af tegen het vuurroode kussen — het was, of hij rustig sliep en of de plotselinge dood alle donkere raadselen en vragen van hem had weggedaan. Aan het voeteneind zat de goede grootpapa met de beide handen voor het treurige gelaat.

De oude man zag op, toen zijn kleindochter, verpletterd door de smart op het lijk van haren vader nederzonk — hij was geen oogenblik verwonderd dat zij zoo in haar morgengewaad naar Dambach was geloopen, hij kende haar wel. Zwijgend trok hij haar zacht naar zich toe en toen het hoofd der arme Grete zich nedervleide tegen de borst van den lieven grootvader, toen welde een stroom van tranen uit hare oogen, bitter, maar weldadig tegelijk.

HOOFDSTUK XVI.

In de steenen zaal, tusschen de deur van het roode salon en het middelste raam was de plek, waar de lijken van de Lamprechts ten allen tijde het uur hadden afgewacht, dat zij naar het vochtige keldergewelf op het kerkhof buiten de poort werden heengedragen. Hier had vrouw Judith ook gelegen met een lacherden trek op het overmoedig gelaat — na den eed, dien zij haren man had afgeëischt, had zij den strijd opgegeven tegen den naderenden dood en de leden tot sterven uitgestrekt.

En hier, tusschen de vreemde planten en gewassen, die om de met zilver beslagen kist stonden van vrouw Judith, zou Justus

Sluiten