Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pijnlijk aangedaan door die zoo luid bij de kist gesproken woorden, en er werd geen woord meer gezegd. Met een zwijgenden groet ging men heen en spoedig verspreidden zich de rijtuigen naar alle kanten.

„Dat gij zoo vroeg sterven moest, Boudewijn, mompelde de oude grootvader op smartvollen toon. „God behoede de arme lieden, die nu onder de bevelen van dien gevoelloozen jongen

komen te staan."

De oude man was alleen met zijn kleindochter in de steenen zaal achtergebleven, terwijl de anderen meegingen om het aanzienlijk gezelschap uitgeleide te doen. „Kom, Grete, houd u goed en geef niet al te veel toe aan uwe smart, zei hij half smeekend, half vermanend, terwijl hij de hand over het lokkige haar streek van het meisje, dat bij de kist geknield lag te schreien. Zij kuste de koude hand, zij had een gevoel, of zij die kinderkus op de lippen van den doode niet beroeren mocht — na een oogenblik stond zij op en ging aan de hand van haren grootvader het salon binnen.

„Zoo, mijn beste Grete. nu is het zwaarste voorbij, begon hij. „Ga nu een paar weken naar Berlijn om tot u zelve te komen, en het arme, afgetobde hoofd tot rust te brengen... Maar denk dan aan uw grootvader. Hij zal het daarbuiten in Dambach heel eenzaam hebben, want — hij komt er niet meer," en zijn lippen trilden onder den witten knevel. „Hij is mij een goede zoon geweest, mijn kind. ofschoon zijn innerlijk leven vooral in den laatsten tijd voor mij verborgen was, als het boek met de zeven zegelen.

Hij ging weg en deed de deur achter zich toe. Grete begaf zich naar de verst afgelegen kanjer, het roode salon zij wist, met de wegbrandende kaarsen werd een in de oogen der wereld glanzend leven tenietgedaan, morgen ochtend vroeg zou het lijk naar zijn eeuwig huis buiten de stad worden overgebracht... Ja, morgen om dezen tijd was alles voorbij, en ook zij zou ver zijn van het afgestorven vaderhuis. Van avond kwam oom Theobald, om bij de begrafenis tegenwoordig te wezen, en morgen ging zij met hem mee naar Berlijn.

Peinzend liep zij op en neer in de flauw verlichte kamer en het geluid van hare voetstappen werd door de hooge muren weerkaatst. Het leeg geruimde salon was maar ten deele weer in orde gemaakt, de kleeden waren nog niet gelegd en de schilderijt n stonden nog in den donkeren gang. Tegen het verbleekte behangsel stak een groote vierkante plek donker af; daar had het portret gehangen van de vrouw met de karbonkelsteenen, de schoone,

Sluiten