Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teer beminde vrouw, wier arme ziel door het bijgeloof honderd jaren lang tot rusteloos zwerven was veroordeeld, totdat de storm erop inbruischte en haar op zijn vleugelen meevoerde.... O, dien nacht van den storm. Toen had de treurende weeze voor het laatst in vaders oog gezien! „Tot morgen kind", had hij gezegd, dat was het laatste geluid uit zijn mond geweest. Dat „morgen" kwam nooit — nooit voor haar opdagen, en met de handen voor het gelaat liep zij, zich zoo diep ongelukkig voelend, de kamer op en neer.

Herbert had intusschen zijn nicht gemist en liep zoekende de kamer door. Hij had een overjas aan en den hoed in de hand. Toen hij op den drempel van het roode salon trad, bleef Grete stilstaan en nam langzaam de handen weg van haar gelaat.

„Hebben zij u zoo aan uw lot overgelaten, Grete ?" vroeg hij op innig deelnemenden toon, dien zij hem vroeger zoo dikwijls had hooren bezigen tot Reinhold. Hij kwam binnen, zette zijn hoed weg en nam Grete's handen in de zijnen.

„Wat zijt gij verschrikkelijk koud, deze donkere, ongezellige kamer is geen verblijf voor u, kom, ga met mij mee," vroeg hij zacht, en hief zijn arm op, om dien ter ondersteuning om haar midden te slaan, maar zij ging haastig, als schrikte zij, eenige schreden achteruit.

„Mijn oogen doen mij zeer," klaagde zij uit den halfdonkeren hoek der kamer, waar zij de wijk genomen had. „De schemering doet mij goed en werkt verzachtend na het akelige licht in de steenen zaal. „Ja, het is hier leeg en ongezellig, maar het is hier stil, meêdoogend stil en dat is een weldaad voor het bedroefde gemoed, dat zoovele holle troostwoorden heeft moeten verdragen."

„Daar waren toch ook vele welgemeende woorden onder," antwoordde hij goedhartig. Ik begrijp best, dat de dag van vandaag met die tentoonstelling van het lijk en die opeenhooping van menschen u zeer pijnlijk is geweest, maar het mag toch niet uit et oog worden verloren, dat uw door ons diep betreurde vader altijd veel waarde aan die plechtigheden heeft gehecht. Er is zeker geheel in zijn geest gehandeld. Laat dat u tot vertroosting zijn, Grete." *

Hij zweeg een oogenblik, haar antwoord afwachtend, maar zij zei niets en hij nam zijn hoed weer in de hand. „Ik ga naar den trein, om oom Theobald af te halen. Hij zal er beter in slagen dan een van ons, u woorden toe te spreken, die vrede wekken in uw hart. Daarom ben ik blij, dat hij komt.... Maar kan dat nu niet anders, moet gij met hem naar Berlijn zooals vader mij vertelt?"

Sluiten