Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een klein stuk op van de zijkamer, een lief gezellig vertrek vol bloemen achter neteldoeksche gordijnen.

Juist op die plek, die Grete kon zien, stond Heloise, die den geopenden brief overreikte aan den landraad. Haastig doorlas hij den inhoud en trad toen nog wat dichter op de jonge dame toe. Zij spraken zacht maar druk met elkander; midden in het gesprek keerde Heloise zich plotseling om, plukte een roode camelia van den stengel en stak onder een vriendelijk lachje de bloem in het knoopsgat van Herbert.

„Hemel, juffrouw Lamprecht, wat wordt gij bleek !" riep de barones en vatte Grete bij de hand. „Voelt gij u niet wel ?"

Het jonge meisje schudde verlegen het hoofd en voelde dat het bloed haar naar de wangen steeg. Zij was heel gezond, zei ze, en misschien wat bleek geworden van de kou onderweg.

Heloise en Herbert kwamen de kamer weêr in.

Met een schalksch lachje hief de barones den wijsvinger tegen den landraad op. „Wat is dat nu, mijn mooiste camelia geplunderd ? Weet gij niet, dat ik die eigenhandig verzorg en al de bloemen tel ?"

Heloise begon te lachen. „Ik ben de schuldige, mama, ik heb de bloem afgeplukt, om hem te dekoreeren, en daar had ik alle reden toe."

Mama knikte en nam een kop koffie van het blad, waarop een knecht die rond diende. Het gesprek liep nu verder over de camelia's, De barones was een groote liefhebster van bloemen en de hertog had haar daarom een wintertuin laten inrichten.

„Dien moet gij straks eens gaan zien, juffrouw Lamprecht, zei ze tot Grete. „Uw grootmama kent hem wel en blijft bij mij wat zitten praten, als mijnheer de landraad u vergezellen wil."

Herbert scheen haast te hebben, om aan die uitnoodiging te voldoen. Hij gunde Grete nauwelijks den tijd, een kop koffie te drinken, wijl hij bang was, zoo hij zei, dat het anders donker zou zijn. Het jonge meisje stond op, en terwijl Heloise op een pianostoeltje neerviel en tamelijk smakeloos een stuk begon te spelen, verlieten Grete en Herbert het salon.

Zij doorliepen een heele reeks vertrekken, waar van alle wanden leden van het vorstelijk huis in statiekieeding of krijgsgewaad op hen nederzagen — een blauwoogig, blank, gezond geslacht, met naar rood overhellend haar.

„Met den langen sleep aan uw japon zweeft gij stil door de zalen, als de stammoeder van deze roodbaarden door dit kleine kasteel," begon Herbert tot de zwijgende Grete.

Sluiten