Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zij zouden mij niet erkennen," zei ze met een blik op de portretten, „Ik ben niet voornaam genoeg."

„Zeker, een Duitsch Gretschen zijt gij niet," antwoordde hij lachende. „Gij hadt eer tot model kunnen dienen voor den Itahaanschen knaap van Gustaaf Richter."

„Wij hebben immers ook Waalsch bloed in de aderen—twee Lamprechts hebben hunne vrouwen uit Rome en Napels gehaald Dat weet gij wel, oom."

„Neen, mijn beste nicht, dat wist ik niet; zoo vertrouwd ben ik n'et met de kroniek van uw huis. Maar naar enkele hoedanigheden der nakomelingschap te oordeel en moeten die vrouwen minstens dochters van een doge of een Italiaanschen prins zijn geweest. J

„Jammer, dat ik dat moet tegenspreken, oom! Voor u en voor grootmama was dat anders van belang geweest en zeker, in het bijzijn van deze trotsche heeren," zij wees naar de portretten, ..moet het u niet bijzonder aangenaam zijn te vernemen, dat de eene vrouw een visscherskind, de andere de dochter van een steenhouwer was.

„Hé, hoe belangrijk ! Zoo hebben die oude kooplui toch ook hunne aanvallen van romantiek gehad?... Maar ik zou wel eens willen weten, wat mij de afkomst van de Lamprechts aangaat."

Er vertoonde zich een smartelijke trek op haar gelaat. „Niets, et gaat u niets aan, zei ze haastig. „Gij behoeft immers van de heele verwantschap niet te spreken. Mij zou dat bepaald aangenaam zijn, dan heb ik intusschen van u die vervelende plagerij niet te wachten, waar grootmama mij altijd mee vervolgt "

„Plaagt zij u?"

Een oogenblik aarzelde Grete. Zij had er nooit van gehouden achter iemands rug iets onaangenaams te zeggen en hier stond zij nog wel voor een zoon tegenover de moeder. Maar het kwade woord was er eens uit en kon moeielijk weer teruggenomen worden.

„Nu, ik ben van mijn kant onwillig geweest en heb een lievelingswensch van haar onvervuld gelaten," zei ze, terwijl de piano onder Heloise's handen telkens luider klonk. „Die teleurstelling doet haar zeer, dat spijt mij en ik verontschuldig hare minder aangename stemming tegenover mij zooveel ik kan. Maar wat ik niet kan of wil verdragen, is dat zij nog altijd hoopt mij tot andere gedachten te brengen. Ik vat niet waarom zij zoo hartstochtelijk verlangt, dat ik in die hoogadellijke verwantschap zal worden opgenomen, en het klinkt mij daarbij heel vreemd in het oor, dat grootmama zoo in de verontwaardiging deelt der barones

De Vrouw net de K«rhonkeleteen«i.

12

Sluiten