Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zij zag schuw naar hem op. Nooit had zij zijn gelaat zoo ontroerd gezien. Maar hij bezat een wonderbare zelfbeheersching. Nadat hij den wintertuin eens rond had gewandeld, kwam hij weer bij haar.

„Wij moeten weer naar het salon terug," zeide hij bedaard.

,.Gij zoudt verlegen zijn, als men u vroeg, hoe gij het hier had gevonden, want gij hebt er niets van gezien. Kijk daarom even naar die prachtige palmen en die kanarische dracaena. En zie hier boven tulpen en hyacinthen laat de Spaansche vlierboom zijn bessen hangen, een waar beeld van de lente, hebt gij ernaar gezien?"

„Ja, oom ?"

„Ja, oom !" herhaalde hij op spotachtigen toon „De titel komt vandaag weer zoo flink voor den dag. Gij ziet zeker hier in mij wel een heel eerwaardig figuur ?"

„Hier niet meer dan thuis."

„Dus altijd ! Dien oomstitel zal ik dan wel dienen te dragen. Nu, ik zal het doen, tot gij u mogelijk mijn naam nog eens herinnert."

Kort daarop zat het drietal weer in de slede, maar men reed niet naar de stad terug. De landraad sloeg een zijweg in, die door een veld naar Dambach leidde. Zijn vader had vanochtend weer geklaagd over rheumatiek in de schouders en daarom, zei Herbert, moesten zij eens gaan zien, hoe de patiënt het maakte.

Mevrouw Marschal leunde ontevreden in haar hoek. Zij had volstrekt geen lust in dat bezoek, maar durfde het niet te zeggen. In plaats daarvan liet zij er zich scherp over uit, dat Gtete zoo stil was geweest; zij had tusschen de dames gezeten als een echt verlegen kind, dat men de woorden uit de keel moest halen en dat geen tien kon tellen.

..In dat zwijgen ligt ook iets goeds tegenover menschen, van wien men weinig weet, mama," (luisterde haar de landraad in het oor, ik had vandaag prettiger gevonden, als gij u een beetje voorzichtiger had uitgelaten over balletdanseressen — de barones Von Taubeneck was dat vroeger ook."

„Groote God !" riep zij uit en boog het hoofd raadeloos naar beneden. „Neen, neen, dat is niet waar, Herbert, dat is laster van kwaadwillige menschen," zei ze, „de heele wereld weet, dat de gemalin van Prins Lodewijk van ouden adel was."

„Zeker. Maar de familie was al lang doodarm. De laatste dragers van den ouden naam waren ondergeschikte ambtenaren en de twee mooie zusters, barones von Taubeneck zoowel als de overleden gravin Sorma, hebben onder een anderen naam als danseressen haar brood verdiend."

Sluiten