Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dat kwakzalversvergif en ik heb geen lust, op mijn ouden dag daar mijn bloed mee te bederven. De vrouw van den directeur heeft mij den schouder gewreven met opodeldok dat het een aard had, en toen heeft zij er een pak werk over heen gebonden. Zij beweert, dat het daar beter van zal worden."

„Ja, vooral als gij bij deze kou voor een open raam gaat staan zooals daareven," zei mevrouw Marschal op effen toon en woei tegelijk met den mof de tabaksrook van zich weg. „Ik weet wel dat men u niet moet aankomen met een dokter, maar gij zoudt toch wel een huismiddeltje kunnen gebruiken."

„Wat vlier en kamille misschien Fransje ?"

„Neen, lindebloesem met een beetje citroensap er door zou veel beter zijn, dat helpt altijd, want gij moet zweeten, Hendrik.»

«Brr!» riep hij en schudde het zware lichaam of er een ondragelijk gewicht op lag. «Dan maar liever dadelijk in het vagevuur! Ziet ge wel, mijn meikevertje,» en hij sloeg een arm om Grete, die hoed en mantel had afgelegd en naast hem stond, «zoo zou uw oude grootvader mishandeld worden. Dan maar naar het hospitaal, als hij lindebloesem drinkt, dunkt u ook niet?»

Lachende boog zij zich tegen hem aan. «In zulke dingen ben ik zoo onwetend als een klein kind, grootpapa, en dus moet gij mijn raad niet vragen. Maar gij moet mij toestaan, dat ik hier bij u blijf. Als gij pijn hebt, kunt gij 's nacnts niet alleen zijn, ik zal de pijp voor u stoppen en u voorlezen, tot gij slaapt,»

„Wilt gij dat, klein ding ?" riep hij vroolijk. „Ik vind het uitstekend. Maar morgen wordt het testament geopend en daar dient gij wel bij te zijn.

„Ik zal oom vragen dat hij mij de slede stuurt."

„En oom zal natuurlijk zorgen dat het gebeurt," zei de landraad met een nederige diepe buiging.

„In orde!" zei grootpapa. „Maar Franciska, wat stormt gij zoo opeens naar de deur. Och ja, gij zult voor die lui daar ginds," en hij wees in de richting van den Prinsenhof, „uw beste plunje hebben aangetrokken en die wordt nu berookt. Ik heb het met mijn dampen ook wel wat erg gemaakt —"

„En wat een leelijke reuk heeft die tabak !" viel zij hem boos in de rede en schudde den zijden rok, als wilde zij die tegen de besmetting beveiligen.

„Nu, nu, neem mij niet kwalijk, fijn is de tabak niet, maar krachtig! Maar daar weet gij evenveel van als ik van Peccothee, Fransje. Ik bid u, geneer u niet! Het jeukt u in de kleine voetjes, om maar zoo spoedig mogelijk weer in de vrije lucht te komen.

Sluiten