Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij driftig en over het geheele lichaam bevende, den ouden man toe — het was, of al de zachtheid, die zij anders in hare stem wist te leggen, geheel verdwenen was.

„Zeker wil ik dat, mevrouw Marschal," antwoordde Lenz beleefd buigende, maar op vasten toon. „Woord voor woord wil ik mijne verklaring nog eenmaal afleggen: de overledene handelsraad Lamprecht was mijn schoonzoon, mijn dochter Blanka was wel en wettig met hem getrouwd."

De oude dame barstte in een akelig lachen los. „Mijn goede man, het duurt nog een heelen tijd eer wij carnaval hebben, tot zoo lang moest gij tenminste uw gemeene grappen voor u houden," riep zij met bitteren hoon en draaide Lenz verachtelijk den rug toe.

„Mama, ik moet u beleefd verzoeken terug te keeren naar uw eigen kamer," zei de landraad en bood haar den arm, om haar tot de deur te geleiden; ook hij was doodsbleek en innige ontroering stond op zijn gelaat te lezen.

Boos wees zij hem van zich af. „Indien men hier met dienstzaken te doen had, dan waart gij in uw recht met mij de deur te wijzen, maar wij hebben hier met een fijn overlegd boevenstuk te doen, waardoor de geheele familie in haar eer wordt gekrenkt."

„Boevenstuk?" herhaalde de oude schilder met een van verontwaardiging trillende stem. „Indien mijne dochter Blanka een kind was van een dief. een spitsboef, dan zweeg ik zeker op uwe grievende beleediging, maar thans kom ik er zeer ernstig tegen op. Ik zelf ben de zoon van een hoog geplaatst ambtenaar, die een geëerden naam nagelaten heeft, mijn vrouw is afkomstig uit een aanzienlijke, maar verarmde familie, wij beiden zijn als rechtschapene menschen het leven doorgegaan ; daar kleeft niet de kleinste smet aan onzen naam, als alleen misschien deze, dat ik als academisch gevormd kunstenaar door een samenloop van ongunstige omstandigheden gedwongen ben geworden werk te zoeken in de fabriek... Het is echter bij de rijkgeworden burgers mode geworden, van mésalliance te spreken, als er een arm meisje in de rijke familie introuwt, en zich te houden, als was het bloed verontreinigd, evenals bij den adel, die zich verbindt met de burgerij. Dat vooroordeel was de groote schuld van den overleden handelsraad en hij beging daardoor tegenover zijn zoon, van wien hij veel hield, een jammerlijke onrechtvaardigheid."

„Och, neem mij niet kwalijk, ik wist niet, dat mijnheer Lamprecht tegenover zijn eenigen zoon, mijn kleinzoon, zich iets te verwijten had,'' sprak mevrouw Marschal met de diepste minachting.

„Ik spreek van Max Lamprecht, mijn kleinzoon!"

Sluiten