Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onbeschaamde!" riep de oude dame woedend van drift.

De landraad trad op haar toe en maande haar zeer ernstig aan, zich van alle beleedigende woorden te willen onthouden. Lenz moest gelegenheid hebben, om geheel uit te spreken — het zou immers duidelijk aan het licht komen als hij onwaarheid sprak.

Mevrouw Marschal ging voor een raam staan, met den rug naar de beide mannen gekeerd, en nu haalde de schilder een groot couvert uit zijn zak.

„Zit daar de acte in van het wettig voltrokken huwelijk ?" vroeg de landraad.

„Neen," was het antwoord, „het is een brief van mijne dochter uit Londen, waar zij mij haar huwelijk met den heer Lamprecht in meedeelt."

„En bezit gij verder geen papieren of stukken?"

„Helaas neen ! Na den dood van mijn kind heeft de heer Lamprecht alles meegenomen".

De oude dame keerde zich om en zei met een hoonend gelach : „hoort gij wel, de bewijzen zijn er eenvoudig niet — natuurlijk niet! De beschuldiging hier tegen Boudewijn uitgebracht is niets als een slim overlegde afzetterij," Zij trok de schouders op. „Het kan best zijn, dat de verleidingskunsten van het kokette ding, dat eens op de trap van het pakhuis voor onze oogen bezig is geweest, niet zonder uitwerking zijn gebleven en dat daar een soort van betrekking door is ontstaan, zooals men dat wel meer ziet in dezen tijd ; maar ik had dat toch eigenlijk van Boudewijn nooit gedacht. Intusschen, ik zeg, dat kan — doch een huwelijk ? Ik zou mij laten doodslaan, eer ik aan zulk een domheid geloofde."

De oude man reikte Herbert den brief toe. „Wees zoo goed," zei hij met geheel klanklooze stem, „dezen brief te lezen en bepaal dan een uur, waarop ik u morgen spreken kan, om al het verdere te vertellen. Ik kan en ik wil mijn gestorven kind niet zoo schandelijk hooren belasteren en het kost mij moeite, dat stuk door vreemde oogen te laten lezen." Met diepen weemoed staarde hij op den brief, die de landraad in de hand hield; „het is mij, of ik een verraad pleeg aan mijn dochter, die hier de eenige fout, die zij ooit beging, aan hare ouders biecht. Wij hadden er in de verte geen denkbeeld van, dat onze patroon achter onzen rug ons kind verleidde, en op zijn dringend verlangen heeft zij het zorgvuldig voor ons verzwegen.... Was zij kinderloos gestorven, ik zou er nooit over gesproken hebben. In den vreemde is zij heengegaan: niemand heeft er ooit iets

Sluiten