Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van geweten, en er. bestond dus geene aanleiding om hare eer, die niet werd aangerand, optehouden. Maar nu is het er om te doen, dat de rechten van haar kind gehandhaafd worden en dat wil, dat zal ik doen met alle middelen die mij ten dienste staan."

„Dat hadt gij behooren te doen bij het leven van mijn zwager!" zei de landraad op heftigen toon, terwijl bij haastig de kamer op en neder liep.

„Herbert !" riep de oude dame, „is het mogelijk, dat gij ook maar een oogenblik ernstig uw aandacht wijdt aan dit samenweefsel van leugen en bedrog ?"

„Ge hebt gelijk, ik ben te zwak geweest tegenover den heerchzuchtigen man," antwoordde Lenz, zonder acht te slaan op den uitroep van mevrouw Marschal, „ik had niet moeten vertrouwen op allerlei belofteu, gelijk ik, helaas ! heb gedaan. Toen wij eenige jaren geleden ons kleinkind bij ons in huis mochten nemen, zei de handelsraad, dat de omstandigheden hem nog niet veroorloofden, openlijk met zijn tweede huwelijk voor den dag te komen; maar hij verzekerde mij, dat hij zoodra mogelijk een testament zou maken, teneinde in het ergste geval de rechten van Max te verzekeren. Hij heeft aan die belofte niet voldaan — zeker heeft hij aan de mogelijkheid van zulk plotseling sterven nooit gedacht. Maar ik geef daarom mijne aanspraken nog niet op. De noodige papieren zullen aanwezig zijn, de huwelijksacte, de doopacte van Max moeten onder de nagelaten papieren gevonden worden. Daarom ben ik bij u gekomen, mijnheer. Een advocaat wilde ik er niet graag inhalen, ik geef de zaak aan u over."

.,En ik neem die op mij," antwoordde Herbert. „Over een dag of wat heeft de ontzegeling plaats, ik beloof u, dat ik mijn uiterste best zal doen, om deze zaak in het reine te brengen."

„Ik dank u zeer," zei de oude man en bood den landraad de hand. Toen boog hij even voor mevrouw Marschal en ging heen.

Een oogenblik bleef het stil in de kamer, zoo pijnlijk stil, als buiten soms na den eersten windstoot van een naderend onweer. Men hoorde niets als het zacht kraken van de papieren, die Herbert uit het couvert haalde en openvouwde, terwijl de oude dame met half dichtgeknepen oog naar de daur staarde, waar het ongeluksmensch door verdwenen was .... Op eenmaal stoof zij op.

„Herbert," riep zij vol verontwaardiging. „Kunt gij werkelijk uwe moeder zoo diep geroerd en zoo bitter geërgerd voor u zien staan en bedaard in die leugenpapieren, van een ellendig koket schepsel zitten lezen?"

„Het zijn geen leugenpapieren, mama," zei hij, zichtbaar aangedaan.

Sluiten