Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och, gij zijt werkelijk ontsteld, mijn zoon ! Nu het papier is geduldig en de fraaie dame zal wel al haar best hebben gedaan, om haar schandelijke fout voor hare ouders zooveel mogelijk te verontschuldigen.... En een man als gij laat zich daardoor beetnemen."

„Ik heb het eigenlijk al lang geloofd mama."

„Bespottelijk — die praatjes van een oud, bijna kindsch man!"

„Mama, ik zou maar geen moeite meer doen om u en mij met valsche verwachtingen te vleien. Het is veel beter de waarheid onder de oogen te zien Bij de eerste opheldering, die de oude Lenz gaf, was het mij of mij een blinddoek van de oogen viel. Ik begon de zonderlinge houding van Boudewijn, waar wij in de laatste jaren niets van begrepen, te doorzien. Hij heeft een vreeselijken tweestrijd in zich omgedragen. Had de dood hem die tweede vrouw niet ontroofd, dan was alles anders geloopen. Na jaar en dag was hij met de schoone, fijne beschaafde vrouw aan zijn zijde openlijk in de wereld verschenen. Maar de dood brak de betoovering. Hem bleef niets over als de zekerhetd, dat hij de schoonzoon was van den ouden Lenz en toen zegevierde in zijn binnenste de lafheid, — de ellendige, erbarmelijke lafheid!" herhaalde hij driftig. ,.Hoe heeft hij het over zijn hart kunnen verkrijgen, den knaap, een pracht van een jongen, op wien hij trotsch wezen kon, te verloochenen onder zijn eigen dak ? Hoe heeft hij het kunnen verdragen dat Reinhold, met zijn nijdig, jaloersch karakter, gedurig den armen knaap te na kwam? Arme, kleine vent! Ik hoor het nog, hoe hij mii, toen ik hem bij de lijkkist opbeurde, in het oor fluisterde ; „op den mond zou ik hem zoo graag kussen, hij heeft dat mij zoo dikwijls gedaan, als wij alleen waren."

„Ziet ge wel, Herbert, dat bewijst alles wat ik zeg, namelijk dat die „pracht van een jongen" een bastaard is," begon de oude dame weer. Zij was veel kalmer geworden en er speelde een overmoedig lachje om hare lippen. „Gij schijnt in het geheel niet te denken aan de voornaamste reden, waarom Boudewijn nooit een tweede huwelijk aan kon gaan. Heeft Fanny zijn belofte niet met zich in het graf genomen ?"

„Ja. dat is het juist, wat ik mijn zuster slechts noode kan vergeven!" antwoordde Herbert driftig. „Daar is iets wreeds, gruwzaams, onnatuurlijks in; de smart van een achterblijvende te gebruiken, ten einde den ongelukkige voor zijn gansche leven te binden aan een doode."

„Nu, daar wil ik nu niet met u over twisten. Ik denk over die dingen heel anders als gij en vind, dat er in allen geval een

Sluiten