Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zoo, dat een man als hij er tegen opziet, een meisje onder voogdij te hebben, zoo koppig en eigenzinnig als gij er een zijt ? Och kind, wie u maar een beetje kent, bedankt voor de eer — denk maar eens aan uw houding tegenover die partij, die wij allen zoo graag voor u hadden gewild. Maar dat doet er nu niet toe ! Ik heb haast. Mijn bezoek bij mevrouw Sommer loopt anders in de war, en daarom wil ik u maar zeggen dat gij u zelf een slag in het aangezicht geeft met naar het pakhuis te gaan... Heel gauw zult gij misschien dingen vernemen, verschrikkelijke dingen, die u een heel deel van uw vermogen kunnen kosten. Wilt gij echter toch uw zin doordrijven, welnu, dan verbied ik, uw grootmoeder, u eens en voor altijd de menschen daar te bezoeken en ik hoop dat gij zult begrijpen dat gehoorzaamheid tegenover mij u betaamt."

Zij nam haar mof van de tafel, trok haar voile voor het gezicht en was van plan heen te gaan. toen Reinhold haar tegen hield. ,.Gij hebt daar zooeven over geld gesproken, grootmama ?" vroeg hij in angstige spanning. „Ik zou toch niet hopen, dat die onbeschaamde kerel daar meent dat hij nog iets van ons huis heeft te vorderen ? — Hij heeft met oom Herbert gepraat —"

„Maakt u niet ongerust, Reinhold," zei de oude dame, om hem tot bedaren te brengen. „De zaak hangt heelemaal in de lucht en het zou mij verwonderen als zij ooit op den grond terecht kwam. Wij weten zeker, dat die Lenz booze plannen heeft — en daarom zeg ik nog eens: geen medelijden ! Men behoeft toch zijn weldaden niet te verspillen aan menschen die ons kwaad willen.'"

Zij ging de kamer uit. Reinhold nam het mandje, dat Grete op de tafel had gezet, en riep tante Sofie. Toen deze binnen kwam, vroeg hij naar den sleutel van den kelder.

„Ik dank u hartelijk, dien geef ik u niet, gij hebt in mijn provisiekamer niets te maken," antwoordde tante Sofie op vasten toon. „Ge zijt een armzalige potkijker! En van dat mandje blijft gij af! Dat zijn vruchten uit mijn tuin, die ik zelf alle jaren inmaak voor arme zieken."

Haastig zette hij het mandje weer op de tafel, want dat wist hij van kindsbeen af, tante Sofie sprak altijd de zuivere waarheid. „Nu ja, dan heb ik er ook niets mee uittestaan," zei hij toestemmend. Gij kunt met uwe vruchten doen, wat u goeddunkt. Maar ik wil bepaald niet hebben, dat gij die naar het pakhuis stuurt."

„Zoo, wilt gij dat bepaald niet hebben ? Luister eens, die kop daar," en zij tikte zich met den wijsvinger tegen het voorhoofd,

Sluiten