Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een weinig later ging zij de trap op naar'de kamer van grootpapa die zij in orde had laten maken en waar een heerlijk vuur brandde. Het in October opgevatte plan om de bel-étage geheel op te knappen, was achterwege gebleven en de schilderijen en portreten stonden nog altijd tegen den muur van den spookgang.

Nu zou er weer leven komen in de doodsche ruimte, warmte in de ijzige steenen zaal, waar Grete onwillekeurig den indruk kreeg als was die nog vol van de noodlottige gebeurtenis van papa's dood... Wijl alle ramen op het Noorden uitkwamen, viel hier een droef en winterachtig licht, en buiten op het besneeuwde landschap, dat zich ver, ver onder den wolkeloozen hemel uitstrekte, scheen ook de middagzon flets en geel. Alles koud, levenloos, troosteloos, alsof er nooit weer een groene halm zou kunnen opkomen uit den vastgesloten grond, als zouden die naakte, dorre boomen nooit weer met bloesems worden overdekt.

Grete stond stil bij het laatste raam in de steenen zaal. Hier had zij voor den laatsten keer de stem van haar vader gehoord en hier had zij, na een afwezigheid van vijf jaren, achter de gordijnen staan kijken naar het „nieuwe blijspel" in het vaderlijke huis... Ja, en toen was de voormalige student als aanzienlijk ambtenaar bij haar gekomen en zij had zich vroolijk gemaakt over „mijnheer den landraad," en hem in haar binnenste uitgelachen. O, dat zij met al de kracht van haren wil, waarop zij zich zooveel liet voorstaan, dat oude standpunt maar niet meer kon innemen ! Onwillekeurig balde zij de vuist, en toornig staarde zij naar buiten in de doode natuur. Maar op eens schrikte zij en ging achteruit. De landraad kwam de plaats over van den kant van het pakhuis. Misschien had hij gezien, dat zij er zoo toornig uitzag, want hij lachte en wierp haar een groet toe, terwijl zij naar de voor grootpapa bestemde kamer stoof, het roode salon.

Maar dat hielp haar niets; een oogenblik later was Herbert bij haar. Hij was bijna alle dagen te Dambach gekomen, om zijn vader te bezoeken en nu bood hij haar toch zoo hartelijk de hand of hij haar in een heelen tijd niet gezien had.

„Het is goed, dat gij weer thuis zijt," zei hij. „Wij kunnen nu samen onzen patiënt oppassen. Maar voor u werd het ook tijd om weer hier te komen in het hooge luchtige huis — het leven buiten heeft u geen goed gedaan, gij zijt bleek geworden."

„Met een spotachtig en tegelijk bekommerd lachje trachtte hij haar in de oogen te zien, maar zij zag den anderen kant uit. „Dat bleeke meisjesgezicht voor het raam," zoo voer hij voort, „heeft mij doen schrikken, toen ik uit het pakhuis kwam."

Sluiten