Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Uit het pakhuis ?" vroeg zij ongeloovig.

„Ja, zeker ! Ik heb de arme, zieke vrouw eens opgezocht. Hebt ge daar iets tegen, Grete ?"

— jk zou er iets tegen hebben, als gij zoo menschlievend en barmhartig zijt?' riep zij met vuur, terwijl hare oogen fonkelden. Op dit oogenblik was zij geheel het geestdriftvolle meisje, wie een warme, edele gewaarwording het bloed sneller door de aderen jaagt. „Neen, oom, daar denk ik eveneens over als gij."

„Nu, dan heb ik toch eindelijk iets in uw geest gedaan, dat hoor ik aan den harteüjken toon van uw stem!... Wij voelen beiden nog met jeugdig vuur, maar daar past de oude, stijve, deftige oom niet bij. Ik geloof, dat het u ook zoo voorkwam, want de eerwaardige titel kwam niet vlot over uw lippen. Ik stel voor, den ouden oom maar te begraven."

Een flauwe glimlach speelde om hare lippen en toch zei ze : „Neen, dat moet blijven, zooals het is en wat zou grootmama wel zeggen, als ik weer in mijn oude kinderondeugd verviel!"

„Dat zou dan toch eenvoudig een zaak zijn tusschen ons beiden." •

„O neen, dat is nog zoo zeker niet. Zoo lang grootmama leeft behoudt zij de voogdij over ons, dat weet ik," antwoordde zij bitter. „Gij moogt van geluk spreken, dat zij niets weet van uw bezoek in het pakhuis, ik geloof, dat zij anders verschrikkelijk kwaad zou zijn."

Hij begon te lachen. „En wat zou de straf zijn voor den ouden knaap ? In een hoek staan of zonder boterham naar bed ? Neen, Grete," liet hij er ernstig op volgen, „hoezeer ik er ook op uit ben, mijne moeder ergernis en verdriet te besparen en haar het leven zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk te maken, ik gun haar niet den minsten invloed op mijn doen en laten. Daarom zult gij mij in het vervolg wel eens meer'uit het pakhuis zien komen.

Zij zag hem helder in de oogen. „Indien ik al eenigen twijfel had kunnen koesteren, ik moet u zeggen, dat uw bedaard en kalm oordeel dien geheel bij mij doet verdwijnen. De oude schilder, dien ik al jarenlang heb gekend, kan geen vijand zijn van ons huis."

„Wie zegt dat dan ?"

„Grootmama! Is het waar, dat hij aan Reinhold en mij eischen wil stellen."

„Ja, Grete, dat is waar," antwoordde hij hoog ernstig. „Hij heeft veel van u te vorderen. Zoudt gij dat afstaan, zonder u er tegen te verzetten ?'

„Als de vordering wettig en billijk is, dan zou ik immers niet anders kunnen," zei ze, maar voelde tegelijk een gloeiende blos op hare wangen.

Sluiten