Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met doeken en stoffers gewapend, 'zouden zij zeiven de schilderijen schoonmaken.

Toen zij in den donkeren gang kwam, sidderde Grete onwillekeurig. Zij vond het daar akeliger dan ooit. De geheimzinnige woorden en gebaren van haar vader, toen hij zich in den nacht van den storm in de kamer der schoone Dore had opgesloten, zijn zeggen, dat niet alleen de zon verborgen dingen aan het licht bracht, de griezelige weg, dien zij, van zijn dood hoorende, over gebroken balken en hoopen puin had begaan, om bij zijn lijk terecht te komen — dat alles stond haar op dit oogenbik in al zijn vreeselijke somberheid voor den geest.

Zij liep zoo zacht, zoo aarzelend voort, als vreesde zij, dat de daar langs den muur geplaatste mannen en vrouwen wakker zouden worden en haar deelgenoote maken van al de geheimen, die zij mee in het graf hadden genomen.

Nog altijd stond het portret der schoone Dore omgekeerd tegen den muur, zooals de overledene het daartegen aan had gezet, de storm had het niet aangeroerd... Toen Grete het, nadat zij al onderscheidene alledaagsche, weinig zeggende vrouwenportretten had afgestoft, omkeerde, was het of de oogen der schoone vrouw haar met een bijzondere uitdrukking aanstaarden. Zij knielde bij het portret neder er over denkende, welke schuld toch drukte op die heerlijke oogen en dien lachenden mond, dat nog na honderd jaren zoo veel bitterheid kon worden gewekt, als zij die van haar vader had gezien

En Frederik, de huisknecht, die uit het roode salon komende een blik sloeg naar den donkeren gang, zei in de keuken: «Onze juffer knielt nu al voor die met de karbonkelsteenen. Als zij maar eens wist, wat ik weet? Die vrouw moet bij haar leven een ware duivel zijn geweest, dat zij zelfs in de lijst van de schilderij geen rust vinden kan. Dat noodlottige portret moest op den grond blijven staan in den gang en dan de deur goed dicht gesloten, dan kon zij daar rondloopen zooveel zij wilde.

Maar het bleef niet in den gang. Grete hing het zelf op, door den behanger geholpen. Toen zij daarmee klaar was ging zij naar de huiskamer, om een beetje warm te worden.

Voor het venster zittende, zag zij uit over de besneeuwde plaats. Het weêr was iets zachter geworden, hier en daar lieten de takken van de linden de losrakende sneeuw vallen. Een drom klein gevogelte stoof op het uitgestrooide voeder af en de huisduiven mengden zich daartusschen en kregen het grootste deel.

Opeens vloog de heele bende verschrikt uiteen — daar moest

Sluiten