Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik zal juffrouw Lamprecht vragen, morgen ons nog eens te bezoeken, dan zult gij wel weer sterker zijn."

Zwijgend maar ernstig schudde de oude vrouw het hoofd en greep Grete's hand.

„Weet gij nog wel, wat ik u gezegd hebt, toen gij mij verzekerdet, dat Gij altijd van Max zoudt houden en hem nooit uit het oog verliezen ?"

Grete drukte innig de hand der treurende moeder. „Gij hebt gezegd," zei ze, „dat veranderde omstandigheden ook dikwijls onze gevoelens doen veranderen en dat niemand kan weten, of ik over vier weken nog evenzoo zou denken, als toen.... Nu, de omstandigheden zijn, meen ik, al veranderd, waardoor en in hoe ver, dat weet ik niet; maar laat dat zijn zoo het wil, wat heeft die verandering te maken met mijne liefde voor Max? Wordt hij daar minder lief door? Och, maar spreek nu niet langer. Ik wil alle dagen terugkomen en dan kunt gij immers alles vertellen, wat u op het harte ligt."

Met een bitteren glimlach antwoordde de oude: „men zal u wel heel gauw verbieden, ooit hier terugtekomen."

„Ik ga langs een weg, dien niemand weet. Ik ben den zolder langs gegaan."

Met een diep smartelijke uitdrukking sloeg de kranke de oogen op. „Langs den ongeluksweg, waar mijn arm lam heen gelokt werd!" riep zij hartstochtelijk uit. „Ach ja, daar ging zij heen tegen onzen zin en de moeder, die haar laatste bloed had willen geven om de reinheid van haar kind te behouden, zij is blind en doof geweest, zij heeft geslapen, als de dwaze maagden in den Bijbel... Ik ben nooit langs dien weg geloopen, dien de witte vrouw uit uw huis ook bewandelt, maar dat weet ik, er ligt een vloek op en — mijn afgod is er ten gronde gegaan. Ga daar nooit weer langs!"

„Ik mag dat niet laten — ik ga er langs om mijn plicht te doen," zei Grete met trillende stem en hijgende borst. Het was haar op eens, of zij duistere beelden uit den afgrond zag verrijzen.

„Ja, gij zijt goed en barmhartig als een engel, maar met al uw goeden wil hebt gij toch ook maar menscnelijke kracht," riep de kranke, zich met moeite even opheffend. „Gij zult ons zeker ook veroordeelen, als gij hoort dat wij tegenover u rechten willen laten gelden, die wij niet kunnen bewijzen! .. . O God, maar een enkele lichtstraal in die duisternis !... Men zal ons wegjagen en de zoon van Blanka zal niet weten waar hij het hoofd zal nederleggen, terwijl zij haar leven voor hem gaf!"

Sluiten