Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er tusschen in. „Barbe gaat aan als een bezetene! jZij heeft den prachtigen komediemantel door den gang zien dwalen en het heele huis in opstand gebracht. Zoo moet het maar gaan! Met elkander spant gij daar beneden tegen mij te samen en nu verklikt de een den ander!"

„Onder die onbeschofte worden was Grete om den hoek van den gang heen gekomen. Zij zei niets — zij scheen door den schrik geheel verpletterd.

„Bedriegster!' schreeuwde Reinhold haar toe, terwijl hij vlak voor haar ging staan. Zulke paden loopt gij dus! Leugenpaden! Hebt gij dat buitenshuis zoo geleerd?"

„Reinhold, wees toch bedaard!" antwoordde Grete op kalmen, maar ernstigen toon, terwijl zij, niet zonder zekere waardigheid hem voorbij wilde gaan naar tante Sofie. Opeens sprong hij haar in den weg.

„Mooi!" riep hij, heesch van woede, „wel ja, ga maar naar uw gouvernante, die u zeker op haar manier wel weer helpen zal!"

„Evenals ik u altijd help," viel tante Sofie hem in de rede. „Uw gouvernante was ik nooit," een droog, schamper lachje klonk even van haar lippen, „ik ken geen Fransch en geen Engelsch, fijne manieren misschien ook niet, maar uw trouwe verzorgster — ja, dat ben ik altijd geweest. Zoo goed ik kon heb ik u met mijn beide handen bewaard naar lichaam en ziel; zoolang het u noodig was heb ik het beetje kracht dat ik had tot uw nut besteed; omdat uwe zwakke beenen jaren en jarenlang u niet konden dragen, hebt gij op en aan mijn arm door huis en plaats en in de frissche lucht rondgewandeld, nooit heb ik u aan vreemden overgelaten of toevertrouwd... Nu, ja, nu kunt gij loopen, maar niet tot blijdschap van anderen. Gij loopt als een cipier sluipend en luisterend van deur tot deur, gij gunt een ander niet eens de vrije lucht, laat staan, eigen gedachten en eigen lust — alles moet naar uwe pijpen dansen en het oude Lamprechtshuis krijgt langzamerhand iets van een tuchthuis. Daarom acht ik het hoog tijd, heen te gaan. U en uw genadebrood begeer ik niet, maar Grete neem ik mee."

Onder die pijnlijke strafrede was het hoofd van den langen, jongen man al dieper en dieper gezonken en zijn oogen dwaalden schuw en doelloos rond. Hij wist het zich zeer goed te herinneren, dat tante Sofie weken achtereen nacht op nacht voor zijn bed had gezeten, dat zij voor hem, die nergens trek in had, altijd wat had weten te bedenken, dat hem toch smaakte, dat zij hem, toen hij al zeven jeren was, altijd zelf de trap had

Sluiten