Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naam ik heb helpen stelen? En dat zoudt gij van mij verlangen, de grootmoeder van de kleindochter I"

„Overdreven gekkin ! Ik zeg u, iedereen die een grein verstand heeft, iedereen, die zijn eer en goeden naam liefheeft, zou dat van u verlangen!"

„Herbert niet!" riep het jonge meisje op hartstochtelijken toon.

„Herbert ?" bromde de oude en zag Grete met hoogmoedige verwondering aan. „Wordt gij weer een kind ? Oom, meent gij zeker ?"

Grete voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg. „Nu dan, oom," zei ze haastig. „Hij zal nooit tot die verstandige menschen behooren ! Nooit, dat weet ik en ik zal hem laten beslissen."

„Wat is dat nu ! Gij zult wel laten er hem een woord over te spreken, totdat —"

„Tot wanneer, mama ?" klonk plotseling de stem van den jongen landraad uit zijn kamer.

De oude kromp ineen, als was zij door den donder getroffen. „O, zijt gij al zoo vroeg terug, Herbert ?" vroeg zij stotterende. „Gij zijt heel zacht de kamer binnengeslopen, dunkt mij."

„Hé, neen, mama, ik kwam op den gewonen tijd, en ik stond al een heele poos in de open deur, maar niemand zag mij." Met die woorden trad hij de kamer in. Hij zag er ernstig, ja somber uit, en toch was het Grete of er een straal door zijn oogen schoot, toen hij haar even aanzag.

„Ik zou wel dadelijk uit bescheidenheid weg zijn gegaan," zoo wendde hij zich naar zijn moeder, „als dat hartstochtelijk gesprek tusschen Gete en u mij ook niet raakte — gij weet wel, dat ik het mij tot taak heb gesteld, licht in die duistere^zaak te ontsteken."

„Nu ook nog, nu gij weet, dat elk wettig bewijs ontbreekt ?" vroeg de oude dame, bevende van ergernis en trok daarbij minachtend de schouders op. „Mijnentwege steekt gij fakkels aan, om een schandvlek nog meer in het oog te doen vallen — want iets hooger dan dat verkrijgt gij nooit! Ik behrijp u niet, Herbert. Het is toch immers duidelijk, dat die papieren, als zij ooit hebben bestaan, met opzet vernietigd zijn ? Vindt gij zelf niet, dat gij, door in deze vuile geschiedenis te wroeten, schande aandoet aan de nagedachtenis van Boudewijn ?"

„Wat, schande aandoen zegt gij, als ik mijn best doe zijn schuld goed te maken ?" riep Herbert vol verontwaardiging. „Overigens gaat het mij niet aan, wat de doode kan hebben bedoeld, ik kom op voor het recht van den levende, die niet bestolen mag worden.

Sluiten