Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grete antwoordde niet, maar zag den landraad ernstig aan, terwijl zij hem op een voetspoor wees, dat over den stoffigen vloer naar de schrijftafel liep, die bij het raam stond.

Herbert schoof de gordijnen los, helder drongen de zonnestralen naar binnen en vielen op paarlmoeren en metalen versierselen van de schrijftafel. De tafel zelf was een prachtig meubel met een fraai dekblad en een hoog bovenstuk, in welks midden zich een klein deurtje en aan beide zijden een tal van kleine laadjes bevond.

De oude dame had haar japon opgenomen en zag met blijkbare verrassing het voetspoor over den grond. Met hoog uitgerekten hals stond zij achter haren zoon en kleindochter, en schoon zij onverschilligheid wilde voorwenden, kon zij hare angstige spanning niet verbergen.

Het sleuteltje in de kleine deur der schrijftafel draaide gemakkelijk om en Herbert ontsloot de ruimte in het bovenstuk. Hij stoof achteruit en zijne moeder uitte een flauwen kreet van schrik, maar op Grete's gelaat straalde een gloed van verrassing, blijde en weemoedig tegelijk ... „Daar is zij !" riep zy uit op een toon van verluchting.

Ja, dat was het heerlijk vrouwenhoofd, dat tusschen de groenende omlijsting zich zoo schoon had vertoond ? Dat was die onvergelijkelijk zachte, lelieblanke huid, die het voorhoofd sierde als met matten zilverglans, dat waren die diepe, blauwe, fonkelende oogen met den fraai gewelfden wenkbrauwboog er boven. Alleen de blonde over hals en schouders neervallende lokken waren er niet — het haar was hoog boven het voorhoofd opgemaakt en tusschen den gulden gloed schitterden de robijnen der schoone Dore ... Ach, daarom mochten die steenen geen vrouwenhoofd meer versieren, zoolang hij leefde, zooals de overleden vader op dien avond, dat het groote gezelschap er geweest was, zoo hartstochtelijk had gezegd ! Ja, deze vrouw met de karbonkelsteenen was even zeer bemind en even diep betreurd geworden als de eerste, die als spook rondwaarde door Lamprecht's huis. De oude Justus was nooit weer getrouwd, hij was een somber, eenzelvig man gebleven tot aan zijn dood toe, evenals zijn afstammeling, de door duizenden benijde Boudewijn.... Welke demonische lust mocht het wel geweest zijn in de schoone Blanka, om zich eveneens te tooien als haar ongelukkige voorgangster, die denzelfden stap had gedaan als zij en die dien stap met haar leven had geboet ?

Er kwam een zware, verdoovende geur uit de kast. Rondom

Sluiten