Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afstammeling plaatste zich naast de ziekelijke en zwakke spruit uit den ouden stam. De oude heeren langs de wanden konden tevreden zijn. De kleine jongen was werkelijk een der hunnen, zij waren immers ook schoone, krachtige en verstandige mannen geweest.

In het pakhuis zat de hoopvolle erfgenaam op grootvaders knie, naast het bed der herstellende grootmoeder. De oogen der oudjes straalden van geluk. Kommer en leed waren voorbij, en hingen ook de ijskegels voor het raam, lag ook een dichte sneeuwlaag over alles daar buiten verspreid, van binnen was het een lentezonnetje, dat warmte in de harten kweekte. Het vuur brandde in de kachel, de lamp wierp haar zacht schijnsel door de kamer en de oude lieden, die al met den eenen voet buiten hadden gestaan, niet wetend, waar zij heen moesten met het verstooten

kind, hadden rust.

Maar in het huis zelf kwamen de golven, die dezen dag in beweging hadden gebracht, niet zoo spoedig tot bedaren. Mevrouw Marschal had zich opgesloten in haar kamer en ontving niemand. Verwonderd schudden de dienstboden het hoofd over de gebaren der oude dame, die, vol gif en gal en in den heftigsten toorn, boven was gekomen. Zij had last gegeven, dat de avondmaaltijd alleen maar voor den landraad moest worden klaar gezet, Jij had den papagaai voor een schreeuwleelijk uitgescholden; daarop was zij naar haar slaapkamer gegaan en had de knip op de deur gedaan.

En Barbe had ook nooit gedacht, dat zij zou beleven wat zij vandaag had gehoord ; de verzekering dat zij een nutteloos schepsel was, niet waard dat de zon haar bescheen.... Een uur geleden was zij ontsteld bij tante Sofie gekomen en had verteld, dat juffrouw Grete heel alleen voor het raam stond van de spookkamer. Maar nu was daar op eens een streng vonnis geveld over haar hardnekking bijgeloof. Tante Sofie had haar een standje gemaakt, dat zij haar leven lang niet zou vergeten.... O, dat domme, blinde, oude schepsel, die Barbe ! Zij had de lieve Grete aangezien voor de vrouw met de karbonkelsteenen, had door haar geschreeuw het heele huis in rep en roer gebracht en den boozen jongen man uit het kantoor op Grete aangehitst! O, en

toen waren er harde woorden gevallen Neen, zij was niet

waard, dat Gods lieve zon haar bescheen, en eer zou zij zich de tong afbijten, eer zij ooit weer een woord losliet over het spook in den gang. En zoo zat zij op haar stoel in de keuken met het schort voor de oogen en weende.

Sluiten