Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moedig lachje — hij wist wel» wat er van die „honderd jaren ook worden" te wachten viel. Daarom vermaande hij ook allen in huis tot de meest mogelijke toegevendheid, en gaarne werd die vermaning opgevolgd. Den kleinen Max ontmoette hij nooit. De deur naar het pakhuis werd niet dichtgemetseld, maar juist daar door had een levendig verkeer plaats tusschen de beide woningen. Grootpapa had zich den knaap aangetrokken alsof het een zoon was van zijn eigen dochter, en Herbert was voogd

over hem geworden.

Het geheim van het huis Lamprecht werd in de stad en den omtrek druk besproken. Overal, in bierhuis, club en damesgezelschappen had men er veel over te zeggen, niet altijd juist in liefderijken geest, wat niet wegnam, dat men in het roode salon hij grootpapa allergezelligste uren te zamen doorbracht. Ken innige liefde verbond hen, die daar bij elkander kwamen. En de vrouw met de karbonkelsteenen zag uit haar lijst lachend neer op oud en jong.

,,De schoonheid van die vrouw heeft iets zóo aangrijpends en demonisch, dat men er onwillekeurig bang voor zou worden," zei juffrouw Lenz op zekeren avond tot tante Sofie, die bezig was Grete's naamcijfer te letteren in een servet voor het uitzet bestemd. Het licht, dat vlak onder de schilderij stond, wierp er een zoo zonderlingen gloed over, dat het scheen, of de schoone vrouw zoo uit de lijst zou treden om zich bij het gezelschap te voegen.

„Ik denk, dat mijn arme Blanka onder den zonderlingen invloed dier betoovering is geweest, toen zij van hier weder de wereld inging," voegde de oude vrouw er droevig bij. „Zij sierde zich liefst met de steenen, die daar in die donkere haren zitten en in haar laatste ziekte streed zij tegen de schoone Dore, die haar wilde meenemen."

Herbert stond op en zette de lamp ergens anders neer.

„Ik heb de robijnen straks in handen gehad cn weggestoken. Gij zult die nooit in uw haar dragen, Grete." zei hij.

Grete lachte. „Denkt gij er net over als Barbe ?" vroeg zij.

„Dat niet, maar ik mag denken aan den „nijd der goden". Daarom mag dat onaangename roode geflonker voortaan rusten in vrede."

En op hetzelfde uur zei Barbe in de keuken : „Ik heb toch niets op met den weg, die nu altijd gebruikt wordt, om naar het pakhuis te komen. Die vrouw met de karbonkelsteenen heeft haar kindje moeten meenemen in het graf en daar is nu toch

Sluiten