Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOED EN KWAAD.

Nu en dan zetten wij ons neder aan den kant van den weg om te rusten en terugblikkend gaat alles, wat wij op onze levensreis hebben wedervaren, aan ons voorbij. Het verleden herleeft en het is als voelen wij weder twee koesterende armen om ons heen geslagen en een zachte wang tegen ons voorhoofd gedrukt en een welbekende stem, o zoo bekend, zegt fluisterend: „Mijn kind." En de oude aandoeningen ontwaken weder, de heerlijke gevoelens van bemind te worden met een groote, onzelfzuchtige liefde, onveranderlijk dezelfde, trots onze stoutigheden, trots onze ongehoorzaamheden, altijd weer bereid om den kleinen berouwvollen zondaar te vergeven.

Daar glijden de welbekende tafreelen van ons jonge leven aan ons voorbij. Zijn wij dat zelf, die zoo spotten met allen ernst van het leven, die zoo onbezonnen de zinnelijke aandriften den vrijen teugel laten? Geen twijfel mogelijk: wij herkennen ze weer, de door slechte lectuur en verhitte verbeelding geprikkelde begeerten, die ons hebben verleid en verlokt met hun geschminkte wangen en hun klatergoud. Duur hebben wij die schijnvreugden moeten bekoopen en lang hebben zij ons belet, onszelven terug te vinden. Maar

Sluiten