Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Van mij, mijnheer," antwoordde een jongen, Dawson genaamd, uit de voorste bank, „maar ik heb hem niet op den grond gegooid."

„Dan moet je er wat mee uitgevoerd hebben," kreeg hij ten antwoord. „Je denkt toch niet mij te kunnen wijsmaken, dat de inktpot van zelf uit de bank springt, als een duiveltje in de doos. Hoe gebeurde het?"

Nu stak een jongen met glad, zwart haar en een treurige uitdrukking op zijn gezicht, zijn vinger op. Hij zat een paar banken achter Dawson.

„Ik geloof, dat het mijn schuld was, mijnheer," zeide hij.

Er ontstond een hoorbaar gegrinnik, en een der jongens fluisterde achter zijn hand tegen zijn buurman: hoor „het Juweel" eens!"

„Geloof je het?" zeide mijnheer Strong scherp. „Komaan, Bassett, druk je asjebelieft wat duidelijker uit. Deedt je het, of deedt je het niet?"

„Ik heb hem omgegooid, mijnheer," bekende „het Juweel", met een houding van een tweeden George Washington.

,,Waarom heb je dat niet dadelijk gezegd? Het is een bewijs, dat je uit je bank bent geweest, en —"

„O neen, mijnheer!" riep de jongen uit.

„Als je hier een inktpot hebt omgegooid is het een bewijs, dat je uit je bank bent geweest," zeide mijnheer Strong met nadruk, „is dat niet zoo?"

Bassett dacht even na en vond het raadzamer het twistgesprek niet voort te zetten. Hij liet zijn hoofd op zijn hand rusten en keek zijn onderwijzer in stille berusting aan.

„Heel goed, na schooltijd kom je bij mij dan zal ik je strafwerk opgeven. Het is al heel vreemd, dat ik jullie geen oogenblik

Sluiten