Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willes was een stevige, ruim veertienjarige knaap. Zijn dik lichtblond haar zag er uit, of er sinds den vroegen morgen, geen hand meer aangeslagen was, en de gezonde blos op zijn wangen ging over in een vuurrood, toen hij bij het tafeltje kwam.

Het was een voortdurende oorzaak van heimelijke schaamte en teleurstelling voor dit jongtnensch, dat hij op netelige oogenblikken onderhevig was aan blozen — een zwakheid, die volgens hem met meer recht aan de zwakke sekse toekwam.

Mijnheer Strong streek langzaam het verfrommelde stukje papier glad en wierp er een koelen, vluchtigen blik op.

„Breng mij je themaboek eens," zeide hij kortaf.

De jongen deed het.

„Hm!" zeide de onderwijzer met een eigenaardigen trek om zijn mond. „Ik zie, dat je tot den vijfden zin in je boek bent gekomen, en toen ben je op een los stukje papier verder gegaan. — Hawkes, lees den volgenden zin — ik bedoel den zesden, eens voor."

De eerste jongen op de bank, keek in zijn schrift en las wat hij pas geschreven had: „de Romeinen zonden afgezanten naar Karthago, om onderzoek te doen naar Hannibal en de Saguntumers."

„O," zeide mijnheer Strong, „Willes schijnt het heel anders vertaald te hebben. Wat ik hier geschreven vind, luidt:

„„Jongen," riep de rooverhoofdman, „dit is mijn laatste patroon, maar het zal nooit gezegd kunnen worden, dat Blue Whiskers zich levend heeft laten gevangen nemen.""

„„Wij zullen schouder aan schouder sterven,"" zeide Jack dapper.

„„Nogmaals flikkerden de musketten, maar tegelijkertijd sprong de hoofdman der menscheneters naar voren en —

Sluiten