Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen oogenblik aan zijn avontuur van Maandagavond gedacht en het was dus wel vreemd, dat hij bij het stappen uit de tram aan het eindstation, plotseling door een onaangenaam gevoel werd aangegrepen. Een seconde doorleefde hij dat vreeselijke oogenblik geheel en al. Evenals een afwisselend natuurtafereel door een bliksemstraal plotseling wordt verlicht, zoo stond het gebeurde hem weer op eens duidelijk voor den geest: hij zag de vlam uit de omgevallen lamp opstijgen, hoorde het glas rinkelen en „brand" roepen.

„Och, ik lijk wel gek!" mompelde de jongen, zich vermannende om zijn gedachten een andere wending te geven. „Er is geen reden om angstig te zijn. Bijzonder veel schade is niet aangericht en waarschijnlijk zal er verder geen drukte over gemaakt worden."

Met de oogen op den grond gericht, zette hij zijn weg voort, zoodat hij al een eindje door het dorp had geloopen, zonder op te kijken; hij zag dus ook den heer niet, die tegen het witte houten hek om den eendenvijver stond te leunen, voordat de vreemdeling hem aansprak, toen hij voorbijkwam.

„Pardon, ik geloof dat er hier dicht bij een huis is, Foxbank genoemd. Zoudt u het mij even willen wijzen?"

De vraag, die als het ware een voortzetting was van zijn eigen minder aangename gedachten, gaf den jongen een soort van schok. Hij stond op eens stil en staarde den spreker een oogenblik aan, voor hij antwoord gaf. Zijn eerste ingeving was, dat dit mijnheer Prescot moest zijn, die hun landgoed had gekocht, maar daarop achtte hij het weer niet waarschijnlijk, dat iemand niet zou weten, waar hij zelf woonde. De vreemdeling was knap van gestalte en had een nette, met bont gevoerde overjas aan; hij rookte een sigaar en hield een

Sluiten