Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oosterschen wandelstok met zwaar-zilveren knop in de hand. Wat echter voornamelijk de aandacht van den jongen trok, was zijn gezicht, dat, hoewel de man zijn best deed vriendelijk te kijken, streng en terugstootend was. De oogen waren donker en doordringend, overwelfd door zware wenkbrauwen, en deze gaven met twee diepe groeven, die ertusschen lagen, den indruk, alsof zij altijd gefronst waren. Zijn tint was gebronsd, een gevolg misschien van een langdurig verblijf in de tropische gewesten en dit, gevoegd bij een mooien kinbaard, gaf hem bijna het uiterlijk van een vreemdeling.

„Foxbank," antwoordde Edgar, toen hij wat van zijn eerste gevoel van verbazing bekomen was. „O ja, mijnheer, dat ligt aan uw rechterhand, een eindje beneden den top van den heuvel. Ik ga er voorbij en kan u het hek wijzen."

„O," zeide de heer, „gaat u dien kant uit? Zoudt u mij dan den dienst willen bewijzen even dit briefje aan de deur af te geven? Dat zou mij het beklimmen van den heuvel uithalen. Ten zeerste verplicht, als u zoo goed wilt zijn."

Sedert het ongeval, had Edgar geen lust meer gevoeld om nog eens het witte hek in te gaan; dat was ook werkelijk de hoofdreden geweest, waarom hij op het voorstel van„het Juweel" aangaande het spook, weinig of geen acht had geslagen.

In het onderhavige geval echter, kon hij dit beleefde verzoek niet goed afslaan. Er bestond geen reden waarom hij dat briefje, als hij voorbij het huis kwam niet zou afgeven. Hij nam de enveloppe, die de vreemdeling hem overhandigde aan en zag dat zij geadresseerd was aan: „den Weled. Heer D. Mender, Foxbank."

„Ten zeerste verplicht," herhaalde de heer. „Alleen overgeven, antwoord is niet noodig."

Sluiten