Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edgar stak den brief in zijn zak en liep voort. Even omkijkende, zag hij, dat de vreemdeling zijn vorige houding weer had aangenomen en, met gekruiste armen op het witte hek leunende, traag het zwemmen der eenden in den vijver gadesloeg. De jongen beklom den heuvel en was bijna aan het bewuste huis gekomen, toen hij stilstond. Links van den weg bevond zich een hek, en daar dichtbij groeiden twee groote olmboomen, in wier hoogste toppen twee spreeuwen aan het snappen waren. Edgar kon nooit weerstand bieden aan een „schot"; hij had de catapult van „het Juweel" in zijn zak en op den weg lagen onnoemelijk veel steentjes! Het volgend oogenblikvloogereensteen suizend tusschen de bladcrlooze takken, terwijl de spreeuwen, ongedeerd, maar verschrikt door deze vijandelijke begroeting, wegvlogen om een veiliger rustplaats te zoeken, waar zij hun gesprek konden voorzetten.

„Misgeschoten!" zeide een stem.

Edgar draaide zijn hoofd om en zag een jongen man over het hek stappen; daarna ging deze op de bovenste spijl zitten, alsof hij wilde rusten. Hij had een vaalbleek, gladgeschoren gezicht en haar van een niet te te beschrijven tint van lichtbruin. Hij hield een hand in den zak van zijn overjas en met de andere zwaaide hij een wandelstok met krom gebogen haak.

„Dat lijkt mij een gevaarlijk soort van wapen, waarmee je zooeven schoot," zeide hij.

„Nog zoo kwaad niet," antwoordde Edgar, niet zonder trots.

„Waar schiet je mee — met kogeltjes?"

„Neen, steentjes — meestal."

„Zoo, steentjes — meestal," herhaalde de jonge man langzaam, alsof hij aan iets anders dacht. „Laat ik me eens bedenken, je woont in die villa, ginds,niet waar? Je naam is Willis, hè?"

Sluiten