Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja," antwoordde Edgar, terwijl hij zich afvroeg wie dit kon wezen. Een oogenblik later, toen het jongmensch zijn linkerhand uit zijn zak haalde, zag hij, dat deze in een verband zat, en onmiddellijk kwam de gedachte bij hem op, dat het niemand anders kon wezen dan de gouverneur van den jongen Prescot.

„Pardon, maar bent u bijgeval mijnheer Mender?"

„Ja" was het antwoord.

„O! Dan heb ik hier een briefje, dat een heer mij, toen ik het dorp doorliep, gegeven heeft; het is voor u en, als ik u niet had ontmoet, zou ik het op Foxbank hebben aangereikt."

„Een briefje voor mij!" riep Mender uit „Laat eens zien."

Hij nam de enveloppe en Edgar zag toevallig, dat zoodra zijn oog op het adres viel, zijn gezicht een eigenaardige uitdrukking kreeg, half van boosheid, half van schrik.

„Waar is hij? Waar heeft hij je dien brief gegeven?" vroeg hij scherp, zonder vooraf den brief open te maken en te lezen.

„Juist vijf minuten geleden," antwoordde de jongen. „Toen ik van hem vandaan ging, stond hij bij den vijver."

Met een gcsmoorden vloek sprong Mender van het hek, stopte den brief in zijn zak en zonder zich de moeite te geven om Edgar te bedanken, liep hij op een drafje den kant uit van het dorp.

„Ik zou wel eens willen weten, hoe hij wist, dat ik Willis heet" mijmerde Edgar, terwijl hij een oogenblik de verdwijnende gestalte nakeek. „Ik denk, dat de menschen ons aangewezen hebben als de lui, die vroeger in Foxbank woonden. Hij moest eens weten, dat ik de lamp heb omgegooid en de oorzaak ben geweest dat hij zijn hand heeft gebrand."

In één opzicht strekte zijn onderhoud met den gouverneur

Sluiten