Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De heer, dien ik gisteravond, om dezen tijd, uit een rijtuig zag stappen, was dat mijnheer Prescot?"

»Ja> hij blijft hier een paar dagen logeeren. Hij kan hier nooit lang zijn, daarvoor heeft hij het veel te druk."

Bij het witte hek namen zij afscheid en Edgar vond zijn nieuwe kennis nogal een aardige man. Sedert zijn vroegere woonplaats verkocht was, had hij er geen voet meer gezet. Behalve het vluchtige kijkje, dat hij op dien bewusten avond in de bibliotheek had genomen, kon hij zich de plaats niet goed meer voorstellen, en, wanneer hij een uur later een blik in de eetkamer had geworpen, waar de tegenwoordige bewoners aan het dessert begonnen waren, zou hij die nauwelijks herkend hebben, met het nieuwe behangsel, en de vreemde schilderijen en meubelen.

Sedert den dood van zijn vrouw, woonde mijnheer Prescot, alleen, maar op grooten voet, te Tetcot Hall, bij Cokeham,' waar zijn ijzergieterijen gevestigd waren, zoo uitgestrekt, dat zij zelf wel een stad geleken. Hij was lang van gestalte, had een streng uiterlijk, kleine, scherpe oogen en een bruuske manier van spreken. Zijn kort geknipte baard en haar, die vroeger zwart waren geweest, vertoonde nu grijze strepen. Hij zat aan het hoofd van de tafel, met Mender over hem en zijn eenigen zoon Hubert tusschen hen in. Laatstgenoemde was een verlegen, tengere knaap, met fijne aristocratische trekken, die hij van zijn moeder geërfd had, en zijn tint was te bleek en te doorschijnend om hem een goede gezondheid toe te schrijven. In meisjeskleeren zou hij een goed figuur gemaakt hebben — wat voor een jongen minder aangenaam is om te hooren—en door dezen jongen vooral zou het allesbehalve goed zijn opgenomen, daar hij zelf maar al te best wist, hoe zwak hij

Sluiten